ECLI:NL:RBNHO:2025:14084

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
11506620 (eindvonnis)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonvordering werknemer tegen Tandartspraktijk Drechterland B.V. met betrekking tot nabetaling en vakantiegeld

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 3 december 2025 uitspraak gedaan in een loonvordering van een werknemer tegen zijn werkgever, Tandartspraktijk Drechterland B.V. De werknemer, vertegenwoordigd door mr. B. van Kasteel, vorderde nabetaling van loon, vakantiegeld en wettelijke verhogingen over de periode van 2020 tot en met mei 2023. De werkgever, vertegenwoordigd door mr. A. Tel, heeft de vordering betwist en gesteld dat de werknemer onjuiste aannames heeft gedaan in zijn berekeningen.

De kantonrechter heeft vastgesteld dat de werknemer zijn loonvordering voldoende heeft toegelicht en cijfermatig heeft gespecificeerd. De werkgever heeft haar verweer onvoldoende onderbouwd, waardoor de kantonrechter heeft geoordeeld dat de vordering van de werknemer toewijsbaar is. De kantonrechter heeft de werkgever veroordeeld tot betaling van de achterstallige loonbedragen, inclusief wettelijke verhogingen en rente. Daarnaast is de werkgever veroordeeld in de proceskosten van de werknemer, die zijn begroot op € 1.480,94.

De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige onderbouwing van loonvorderingen en de verplichting van werkgevers om deze vorderingen adequaat te weerleggen. De kantonrechter heeft de veroordeling hoofdelijk uitgesproken, wat betekent dat de werkgever volledig verantwoordelijk is voor de betaling van de toegewezen bedragen, ongeacht eventuele interne afspraken of verdelingen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11506620 \ CV EXPL 25-277 (rvk)
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. B. van Kasteel,
tegen

1.[gedaagde] ,

te [plaats 2] ,
2. de besloten vennootschap
Tandartspraktijk Drechterland B.V.,
te Venhuizen,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. A. Tel.

1.Het verdere procesverloop

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 juni 2025
- de akte van 13 augustus 2025 met producties van [eiser]
- de antwoordakte van 10 september 2025 met producties van [plaats 2]

2.De verdere beoordeling van het geschil

2.1.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis van 18 juni 2025 is overwogen en beslist.
2.2.
Beantwoord moet worden of [eiser] nog recht heeft op nabetaling van loon, vakantiegeld en wettelijke verhoging, over de periode 2020 tot 28 mei 2023.
2.3.
In het tussenvonnis is overwogen en beslist dat [eiser] nader dient te concretiseren welke gegevens hij voor zijn loonvordering tot uitgangspunt heeft genomen. Het gaat daarbij met name om de ‘fictieve omzet per dag’, het daarop gebaseerde vakantiegeld, het bedrag aan ‘correctie omzet’ van € 4.356,80 over 2020 en de post werkgeverlasten bij de vakantietoeslag over de bonus van 2023.
2.4.
[eiser] heeft in zijn akte zijn loonvordering per jaar nader toegelicht en hij heeft over de berekening van de fictieve omzet gesteld dat daarover in 2020 in verband met corona, nadere afspraken zijn gemaakt. Die afspraken hielden in dat bij een ziekte korter dan drie weken de fictieve omzet per dag berekend wordt door de omzet van [eiser] in het voorgaande jaar te delen door het aantal door [eiser]
gewerktedagen in dat jaar. Bij een ziekte langer dan drie weken wordt de fictieve omzet berekend door de omzet van [eiser] in het voorgaande jaar te delen door het aantal
werkbaredagen in dat jaar. [eiser] heeft verwezen naar e-mailberichten van 21 en 26 mei 2020 van [plaats 2] . In die berichten is te lezen dat [plaats 2] bevestigt dat de wijze van berekening zoals door [eiser] is gedaan klopt en dat over 2020 inderdaad een bedrag van € 1.192,- aan fictieve omzet per dag aangehouden moet worden. [plaats 2] heeft die afspraak op zich niet betwist, maar aangevoerd dat [eiser] telkens uitgaat van onjuiste aantallen werkbare dagen. [eiser] heeft zijn vordering uitgesplitst naar 4 periodes (over 2020; over de periode januari t/m mei 2021; over de periode juni t/m december 2021; over 2022 en over 2023, tot en met mei). Deze periodes zullen hierna besproken worden.
Het jaar 2020
2.5.
[eiser] vordert over deze periode nabetaling van € 4.356,64 (bonusafrekening). [eiser] heeft ter onderbouwing gesteld dat [plaats 2] bij de bonusafrekening uit is gegaan van een te lage fictieve dagomzet (€ 928,02 in plaats van € 1.192,-) en [eiser] heeft aan de hand van een opstelling van het aantal werkbare en het aantal ziektedagen en onder aftrek van wat reeds is betaald, voorgerekend hoe hij tot het gevorderde bedrag van € 4.356,64 komt.
Periode januari tot en met mei 2021
2.6.
[eiser] vordert over deze periode nabetaling van € 995,71 aan bonus en vakantiegeld daarover. [eiser] heeft ter onderbouwing gesteld dat [plaats 2] bij de bonusafrekening uit is gegaan van een te lage fictieve dagomzet van € 982,76 (voor ziekte korter dan drie weken) en € 819,87 (bij ziekte langer dan drie weken) en uitgaat van onjuiste aantallen werkbare en gewerkte dagen. Daarbij heeft [eiser] ook betrokken dat er volgens hem een onterechte correctie ‘werkgeverslasten 1e half jaar + 2020’ door [plaats 2] is doorgevoerd. Deze correctie is onterecht omdat in het bedrag van € 12.293,12 aan werkgeverslasten het vakantiegeld van € 1.326,- over het vaste loon is verdisconteerd.
Periode vanaf juni tot en met december 2021
2.7.
Over deze periode maakt [eiser] aanspraak op nabetaling van € 2.100,67. [eiser] licht toe dat [plaats 2] ook hier uitgaat van een onjuiste fictieve omzet per dag, namelijk € 936,99, terwijl volgens [eiser] gerekend moet worden met een fictieve omzet van € 1.168,48 bij ziekte korter dan drie weken en een fictieve omzet van € 955,01 bij ziekte langer dan drie weken. Ook heeft [plaats 2] ten onrechte een extra werkgeverslast van € 201,57 opgevoerd. [eiser] wijst daarnaast op een verkeerd genoteerde uitbetaling van een bonusbedrag (in werkelijkheid is € 10.690,40 bruto voldaan, terwijl [plaats 2] uitgaat van € 11.969,82). [plaats 2] heeft over deze periode ook te weinig vakantiegeld uitgekeerd, € 957,59 bruto terwijl dat € 1.018,42 bruto had moeten zijn.
Het jaar 2022
2.8.
[eiser] maakt over 2022 aanspraak op nabetaling van € 2.813,42. Ook hier geldt volgens [eiser] dat [plaats 2] is uitgegaan van een onjuiste hoogte van de fictieve omzet per dag bij ziekte. [plaats 2] rekent met het bedrag van € 914,- per dag terwijl dit volgens [eiser] € 1.022,29 moet zijn, namelijk € 30.669,75 : 31 dagen, vermeerderd met de Nza-indexatie van 3,33%. Ook brengt [plaats 2] een bedrag van € 15.681,20 in mindering, terwijl die lasten daadwerkelijk € 14.262,06 bedragen. Verder heeft [plaats 2] fouten gemaakt bij het berekenen van de overwinst (€ 31.043,77 in plaats van € 32.001,36), de uitbetaalde bonus (€ 17.014,27 bruto in plaats van 18.687,49 bruto) en het vakantiegeld (€ 1.286,62 in plaats van € 1.495,- bruto).
Januari tot en met mei 2023
2.9.
[eiser] maakt over januari tot en met mei 2023 aanspraak op nabetaling van € 1.196,28. [eiser] wijst er op dat [plaats 2] ook hier uitgaat van een onjuiste fictieve omzet per dag bij ziekte (€ 914,- terwijl dit € 1.101,01 moet zijn). Verder is [plaats 2] uitgegaan van een verkeerd bedrag aan werkgeverslasten (€ 6.993,23 in plaats van € 4.828,73), een bonus van € 5.550,86 terwijl dat 6.512,69 moet zijn en is de ‘bonus 1’ onjuist berekend (€ 3.448,73 in plaats van € 4.084,02). [plaats 2] heeft geen vakantiegeld over het variabele loon voldaan zodat [eiser] nog recht heeft op € 521,01 bruto en tot slot dient nog de post werkgeverslast bij de vakantietoeslag over het variabele loon van € 286,56 te worden opgevoerd.
2.10.
[plaats 2] stelt zich in haar akte op het standpunt dat de aannames die [eiser] ten grondslag legt aan zijn berekening onjuist zijn; [eiser] gaat uit van verkeerde omzetten, verkeerd aantal dagen en verkeerde berekeningen. Volgens [plaats 2] had [eiser] zijn loonvordering niet zelf moeten berekenen, maar dit moeten laten doen door een deskundige die daarvoor een specialistisch boekhoudprogramma gebruikt dat rekening houdt met bepaalde zaken. [plaats 2] wijst er op dat Goede Vrijdag geen verplichte vrije dag is, dat 2020 voor [eiser] een extra werkdag opleverde omdat zowel 2 januari als 31 december op een donderdag vielen, dus dagen dat [eiser] werkte. Ook heeft [eiser] ten onrechte in zijn berekening opgenomen dat hij op 31 december 2020 ziek was, terwijl hij zich die dag niet ziek gemeld heeft. Voor twee andere dagen, 28 februari en 14 augustus 2020 geldt dat [eiser] die meeneemt als hele ziektedagen, terwijl hij die dagen voor de helft ziekgemeld was. [plaats 2] heeft over de jaren 2021 (tot en met mei) en 2023 wel degelijk vakantiegeld ontvangen. [plaats 2] voert tot slot aan dat [eiser] onjuiste omzetbedragen en werkbare dagen hanteert. [plaats 2] heeft hiermee naar het oordeel van de kantonrechter haar verweer, tegenover de gemotiveerde en cijfermatige onderbouwing van [eiser] , onvoldoende onderbouwd. [plaats 2] heeft aangevoerd dat [eiser] uitgaat van onjuiste aannames, maar zij heeft niet toegelicht of voorgerekend tot welke getalsmatige fouten die onjuiste aannames van [eiser] dan hebben geleid en dat is onvoldoende. Het voorgaande betekent dat de vordering van [eiser] tot betaling van de achterstallige loonbedragen zal worden toegewezen.
2.11.
De wettelijke verhoging is verschuldigd, aangezien sprake is van te late betaling. De kantonrechter ziet geen aanleiding de wettelijke verhoging te matigen.
2.12.
Tegen de wettelijke rente is geen verweer gevoerd, deze zal eveneens worden toegewezen.
2.13.
[plaats 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De salariskosten voor het indienen van de akte na de mondelinge behandeling horen bij [eiser] te blijven. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
276,94
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.480,94
2.14.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [plaats 2] hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting en onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto-specificatie, te betalen € 3.096,38 bruto inclusief vakantietoeslag ter zake van variabele beloning c.q. bonus over 2020 en 2021, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2022 tot aan de dag der voldoening,
3.2.
veroordeelt [plaats 2] hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting en onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto-specificatie, te betalen € 2.813,42 bruto inclusief vakantietoeslag ter zake van variabele beloning over 2022, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2023 tot de dag der algehele voldoening,
3.3.
veroordeelt [plaats 2] hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting en onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto-specificatie, te betalen € 1.196,28 bruto ter zake van variabele beloning over 2023, te vermeerderen met de wettelijke rente 1 januari 2024 tot de dag der algehele voldoening,
3.4.
veroordeelt [plaats 2] hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting en onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto-specificatie, ter zake van wettelijke verhoging (50%) over de hierboven onder 3.1 tot en met 3.3 toegewezen bedragen te betalen, zijnde € 3.553,04 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2024 tot de dag der algehele voldoening,
3.5.
veroordeelt [plaats 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.480,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [plaats 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.S. Kiliç en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.