Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 1 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 135,00
Rechtbank Noord-Holland
In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, op 1 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen [eiser] en Stichting Pre Wonen. [eiser] vorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis van 22 oktober 2025, waarbij de kantonrechter had geoordeeld dat [eiser] niet in aanmerking kwam voor voortzetting van de huur van de woning van zijn overleden moeder. De kantonrechter had de vordering van [eiser] afgewezen en de tegenvordering van Pre Wonen tot ontruiming toegewezen. [eiser] stelde dat hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder had en dat hij aan zijn huurverplichtingen had voldaan. Pre Wonen voerde verweer en stelde dat er geen juridische of feitelijke misslag was in het eerdere vonnis.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring in het vonnis van 22 oktober 2025 berustte op een kennelijke misslag. Volgens artikel 7:268 lid 2 BW heeft degene die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, recht op voortzetting van de huur gedurende zes maanden na het overlijden. De kantonrechter had in haar eerdere vonnis niet voldoende rekening gehouden met deze bepaling en de belangen van [eiser].
De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging werd toegewezen, en Pre Wonen werd veroordeeld in de proceskosten van [eiser]. De voorzieningenrechter benadrukte dat de belangenafweging tussen de partijen zorgvuldig moest worden gemaakt, en dat de schorsing van de tenuitvoerlegging gerechtvaardigd was gezien de omstandigheden van de zaak. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.