Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 1 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 135,00
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Noord-Holland
In deze zaak vordert eiser schorsing van de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis dat door de kantonrechter is uitgesproken. De woning was verhuurd aan de moeder van eiser, die op 8 januari 2025 overleed. Eiser had met toestemming de huurovereenkomst voor zes maanden voortgezet en verzocht om medehuurder te worden, wat door de verhuurder werd afgewezen.
De kantonrechter wees de vordering van eiser af en veroordeelde hem tot ontruiming uiterlijk 1 december 2025. Eiser vordert nu in kort geding schorsing van de tenuitvoerlegging totdat in hoger beroep is beslist. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro de huur na overlijden voortgezet wordt zolang niet onherroepelijk is beslist over de voortzetting.
De rechtbank oordeelt dat de eerdere uitvoerbaarverklaring bij voorraad berust op een kennelijke misslag, omdat de kantonrechter niet voldoende rekening hield met de wettelijke bescherming en de belangenafweging. Daarom wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging toegewezen totdat het hoger beroep is afgerond. De proceskosten worden aan de zijde van eiser toegewezen.
Uitkomst: De tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis wordt geschorst totdat in hoger beroep is beslist of het vonnis onherroepelijk is geworden.