ECLI:NL:RBNHO:2025:13899

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
C/15/370660 / JU RK 25-1427
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige in het kader van de gezinsproblematiek

In deze zaak heeft de kinderrechter op 30 oktober 2025 uitspraak gedaan over het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om een minderjarige onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. De moeder van de minderjarige kan momenteel geen veilige opvoedsituatie bieden, terwijl de vader dat wel kan. De Raad heeft aangegeven dat hulpverlening noodzakelijk is, maar dat er op korte termijn geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is. De ouders werken mee met de hulpverlening, maar de kinderrechter oordeelt dat ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing op dit moment niet noodzakelijk zijn. De moeder heeft verslavingsproblematiek en de minderjarige vertoont gedragsproblemen, maar de kinderrechter concludeert dat de huidige situatie bij de vader veilig is en dat de ouders bereid zijn om samen te werken aan verbetering. De kinderrechter wijst het verzoek van de Raad af, met de mogelijkheid voor hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/370660 / JU RK 25-1427
Datum uitspraak: 30 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een afwijzing ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbeschermingte Haarlem,
hierna te noemen de Raad,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. J. Brouwer uit Haarlem,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad;
- [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . De vader heeft [de minderjarige] erkend.
2.2.
[de minderjarige] staat ingeschreven op het adres van zijn moeder, maar verblijft sinds mei 2025 feitelijk bij zijn vader.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] netwerkplaatsing bij de vader te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad onderbouwt dit verzoek als volgt. [de minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Hij is langere tijd geslagen en uitgescholden door zijn moeder als zij onder invloed van middelen was. [de minderjarige] laat door deze onveiligheid ook gedragsproblemen zien op school in de vorm van schoppen, slaan en het over grenzen gaan. [de minderjarige] laat angst gerelateerde klachten zien, zoals niet in zijn eigen bed durven slapen en in zijn broek poepen terwijl hij al zindelijk is geweest. Ook heeft [de minderjarige] spanning voor het contact met zijn moeder. Er moet eerst aan contactherstel gewerkt worden. De ouders zijn op dit moment onvoldoende in staat onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. De moeder is net begonnen aan behandeling voor haar alcoholgebruik. De kans op een terugval in oud gedrag is op dit moment te groot. Zij heeft een stok achter de deur nodig. Iemand die naast het gezin staat en die voor [de minderjarige] kan waarborgen dat de hulpverlening doorgaat. Als dit niet gebeurt, is de kans aanwezig dat de gedragsproblemen van [de minderjarige] toenemen en dat hij niet langer op zijn school kan blijven. Hij laat nu al extreem gedrag zien. Het wordt dan ook moeilijk om [de minderjarige] in een pleeggezin te plaatsen, terwijl het van belang is dat een pleeggezin wordt gevonden die gedeeltelijk voor [de minderjarige] kan zorgen. De vader zal namelijk ontlast moeten worden, zodat hij voor langere tijd zijn ouderrol in deze complexe situatie kan blijven vervullen.

4.De standpunten

4.1.
De moeder verzoekt primair de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen en subsidiair de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing te beperken tot een half jaar. De moeder ziet in dat het de afgelopen tijd niet goed gegaan is en dat [de minderjarige] nu niet bij haar thuis kan wonen. De moeder aanvaardt de benodigde hulpverlening, heeft een urgentieverklaring aangevraagd voor andere woonruimte en grijpt alles aan om de situatie beter te maken voor [de minderjarige] . Er is daarom niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling en daarbij heeft een ondertoezichtstelling ook geen meerwaarde nu het nog maanden gaat duren voordat een jeugdbeschermer beschikbaar is.
4.2.
De vader zou het fijn vinden als [de minderjarige] weer (deels) bij de moeder kan wonen, maar er is veel gebeurd. [de minderjarige] is nu zeven dagen per week bij de vader. Er wordt op dit moment veel van de vader gevraagd. De vader heeft eerder in een diep dal gezeten. Hij wil voorkomen dat hij een terugval krijgt, waardoor hij er helemaal niet meer voor [de minderjarige] kan zijn. De vader zou het fijn vinden als een derde de regievoering over de hulpverlening op zich zou nemen, maar hij denkt dat de ouders er ook zonder verplicht kader samen uit kunnen komen.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:255, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
De kinderrechter is gelet op de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting van oordeel dat terecht op meerdere leefgebieden grote zorgen zijn over de (verdere) ontwikkeling van [de minderjarige] en dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De moeder is er langere tijd niet in geslaagd om [de minderjarige] een veilige opvoedsituatie te bieden. De moeder heeft te kampen met verslavingsproblematiek, waarbij zij zich onder invloed van alcohol zowel verbaal als fysiek agressief uit in de richting van [de minderjarige] . Daarbij lijkt de moeder de verantwoordelijkheid voor dit gedrag van zich af te schuiven en haar problematiek en de (veiligheids)incidenten die zich hebben voorgedaan te bagatelliseren. [de minderjarige] vertoont zowel thuis als op school al dan niet volledig als reactie op zijn onveilige opvoedsituatie gedragsproblemen en heeft last van zindelijkheidsproblematiek (broekpoepen), slaapproblemen en angst- / spanningsklachten. [de minderjarige] woont inmiddels bij de vader wat op zich goed gaat. Dit neemt niet weg dat de (gedrags)problematiek van [de minderjarige] een uitdaging vormt voor de vader die nu de volledige zorg voor [de minderjarige] draagt. De vader heeft in het verleden last gehad van overspannenheid / depressie. Voorkomen moet worden dat hij door de situatie met [de minderjarige] overbelast raakt en zijn psychisch welbevinden opnieuw onder druk komt te staan.
5.3.
De kinderrechter twijfelt er niet aan dat de ouders op dit moment inzien dat de inzet van hulpverlening noodzakelijk is om de bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige] te keren en dat zij ook bereid zijn om hier aan mee te werken. Naast de al langere tijd voor het gezin betrokken hulpverlening vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin en Carehouse, ontvangt de moeder nu ook wekelijks hulpverlening vanuit de Brijder en wordt voor [de minderjarige] mogelijk ook hulpverlening vanuit Inzowijs ingezet. Daarbij ziet de rechtbank dat het de ouders ook lukt om in het belang van [de minderjarige] goed met elkaar samen te werken.
5.4.
De kinderrechter benadrukt dat wat [de minderjarige] bij de moeder heeft meegemaakt nooit meer mag gebeuren. De moeder heeft duidelijk gemaakt dat zij wil dat [de minderjarige] (op termijn) weer bij haar komt wonen. De verslavingsproblematiek van de moeder maakt dat een terugval op de loer ligt. Zowel de vader als de betrokken hulpverlening moeten er voor waken dat de situatie bij de moeder te snel als goed genoeg ingeschat wordt en aan de bel trekken als dit nodig is. De moeder zal zich langdurig aan hulpverlening moeten committeren en alles op alles moeten zetten om de situatie bij haar thuis weer veilig te maken voor [de minderjarige] . In de tussentijd is het van belang dat de vader zo snel mogelijk ontlast wordt door een plaatsing in een weekendpleeggezin te realiseren voor [de minderjarige] . Voor nu ziet het er naar uit dat [de minderjarige] in ieder geval één keer per maand een nachtje bij Carehouse kan logeren.
5.5.
Ter zitting is gebleken dat de GI, afgezien van crisissituaties, in het kader van de toezichthoudende rol voorlopig niets kan betekenen omdat op korte termijn geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is die ondertoezichtstelling kan uitvoeren. Gelet hierop, het feit dat [de minderjarige] nu veilig bij de vader verblijft, hulpverlening betrokken is en de ouders daar hun medewerking aan verlenen, is de kinderrechter van oordeel dat het uitspreken van een ondertoezichtstelling en het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing nu niet noodzakelijk is. Het verzoek van de Raad zal daarom worden afgewezen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
wijst het verzoek van de Raad af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2025 door
mr. A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.M. van Koutrik als griffier, en op schrift gesteld op 10 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.