ECLI:NL:RBNHO:2025:13816

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
11778089
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen verstekvonnis inzake betaling van overuren door vrachtwagenchauffeur

In deze zaak heeft de werkgever, [eiser] B.V., verzet aangetekend tegen een verstekvonnis waarbij zij was veroordeeld tot betaling van overuren aan de werknemer, [gedaagde]. De werknemer had een vordering ingesteld voor overuren die hij had gemaakt in augustus en september 2023, maar de werkgever betwistte de betaling omdat de werknemer de vereiste tachograafschijven niet tijdig had aangeleverd. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de werknemer op basis van de toepasselijke CAO en het bedrijfsreglement verplicht was om deze gegevens aan te leveren om recht te hebben op betaling van de overuren. Ondanks herhaalde verzoeken van de werkgever heeft de werknemer deze gegevens niet op de juiste wijze aangeleverd, waardoor de werkgever niet in staat was om de overuren te verifiëren. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de werknemer niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen en dat de werkgever daarom niet gehouden is om de gevorderde overuren te betalen. Het verstekvonnis is vernietigd en de oorspronkelijke vordering van de werknemer is afgewezen. Tevens is de reconventionele vordering van de werkgever tot terugbetaling van een voorschot afgewezen, omdat de kantonrechter oordeelde dat de boete die de werknemer had gekregen niet voor zijn rekening kwam. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11778089 \ CV EXPL 25-4286
Uitspraakdatum:
10 december 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser] B.V.
gevestigd te [plaats 1]
eisende partij in het verzet
verder te noemen: [eiser]
zonder gemachtigde
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats 2]
gedaagde partij in het verzet
verder te noemen: [gedaagde]
gemachtigde: mr. A.J. Parks

1.Het procesverloop

1.1.
[gedaagde] heeft bij inleidende dagvaarding van 8 april 2025 een vordering inzake overuren voor augustus en september 2023 ingesteld tegen [eiser]. [eiser] is niet verschenen, waarna [eiser] bij verstekvonnis van 28 mei 2025 is veroordeeld.
1.2.
Bij dagvaarding van 26 juni 2025 is [eiser] in verzet gekomen van dat verstekvonnis. [gedaagde] heeft op 5 november 2025 schriftelijk gereageerd in een conclusie van antwoord in reconventie. [eiser] heeft bij brief van 4 november 2025 nog nadere stukken toegezonden.
1.3.
Op 17 november 2025 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] was bij [eiser] in dienst als internationaal vrachtwagenchauffeur vanaf 11 mei 2023 tot 2 september 2023. [gedaagde] heeft op 2 september 2023 zijn laatste rit gereden. De arbeidsovereenkomst is op zijn initiatief geëindigd.
2.2.
Op de arbeidsovereenkomst was de CAO voor het beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen van toepassing. In artikel 26 CAO staat onder meer:
‘2.b. De diensturen moeten door de werknemer worden geregistreerd op een door de werkgever te verstrekken urenverantwoordingsstaat.
2.d. De werknemer ontvangt na controle door de werkgever een voor akkoord getekend exemplaar van de urenverantwoordingsstaat terug.
2.g. Voor de controle van de urenverantwoordingsstaten dienen de daarbij behorende tachograafschijven te worden overgelegd.’
2.3.
Tevens was het door [eiser] gehanteerde bedrijfsreglement van toepassing. In artikel 10 hiervan staat: ‘
In principe zijn alle boetes die voortvloeien uit bekeuringen voor rekening van degene die de betreffende overtreding heeft begaan, tenzij de directie anders beslist.’In artikel 17 hiervan staat, voor zover relevant: ‘
Tot het moment dat de werknemer een deugdelijke urenverantwoording heeft overgelegd, kan de werknemer slechts aanspraak maken op het functieloon. De chauffeur dient aan het einde van elke loonbetalingsperiode zijn bestuurderskaart te Velsen te laten downloaden. (…)’.
2.4.
[gedaagde] heeft een kort geding inzake de eindafrekening van de arbeidsovereenkomst aanhangig gemaakt. In het vonnis van de Rechtbank Noord-Holland van 28 maart 2024 is ten aanzien van de nog uit te betalen overuren het volgende bepaald:
“1.4. Voor wat betreft de gevorderde overuren over augustus en september 2023 geldt het
volgende. Deze zijn door [eiser] Transport niet uitbetaald, omdat [gedaagde] geen urenregistratie en bestuurderskaart (tachograafschijf) heeft overgelegd waardoor [eiser] Transport de geclaimde uren niet kon controleren. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] op grond van artikel 26a van de toepasselijke CAO voor het beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de CAO) inderdaad verplicht is de tachograafschijven over te leggen, hetgeen [gedaagde] ondanks het verzoek van [eiser] Transport niet heeft gedaan. [eiser] Transport heeft daarom, op grond van artikel 17 van het bedrijfsreglement, terecht de geclaimde overuren nog niet betaald.
1.5.
Ter zitting heeft [gedaagde] toegezegd de tachograafschijf alsnog te zullen overleggen, waarna [eiser] Transport heeft toegezegd (na ontvangst daarvan) de gemaakte overuren alsnog te zullen uitbetalen conform de CAO. Gelet hierop wordt de vordering tot betaling van de overuren afgewezen. De kantonrechter gaat ervan uit dat -zodra [gedaagde] de tachograafschijf heeft verstrekt- [eiser] Transport de ter zitting gedane toezegging tot betaling zal nakomen en dat [eiser] Transport ook een salarisspecificatie van de nabetaalde bedragen zal verstrekken.”
2.5.
[gedaagde] heeft de tachograafschijven -ondanks meerdere verzoeken van [eiser] op onder andere 12 april 2024, 16 april 2024, 19 april 2024, 7 juni 2024, 13 juni 2024, 6 mei 2024 en 12 juli 2024- niet (op de juiste wijze) aangeleverd. In enkele van die berichten heeft [eiser] ook aangegeven hoe die tachograafschijven moesten worden aangeleverd en hoe [gedaagde] dat kon realiseren. Toen [gedaagde] de instructies uiteindelijk in juli 2024 opvolgde, bleek dat de overuren van augustus en september 2023 wegens tijdsverloop niet meer te downloaden waren. [gedaagde] heeft op een alternatieve wijze zelf een berekening gemaakt van de overuren over augustus en september 2023 en de waarde hiervan op € 1.828,65 bruto gesteld.
2.6.
[eiser] heeft dit gestelde bedrag aan overuren, ondanks meerdere verzoeken van [gedaagde] en diens gemachtigde op 11 april 2024, 6 mei 2024 en 7 juni 2024- tot op heden niet betaald.

3.De vordering en het verweer

3.1.
[gedaagde] heeft bij inleidende dagvaarding betaling gevorderd van [eiser] van € 1.825,65 bruto aan overuren te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging en wettelijke rente. [gedaagde] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat hij gerechtigd is tot uitbetaling van zijn overuren van augustus en september 2023, omdat hij die werkzaamheden conform zijn arbeidsovereenkomst heeft verricht. De verplichting tot betaling van de overuren volgt, aldus [gedaagde], (ook) uit het vonnis van de Voorzieningenrechter van 28 maart 2024. [eiser] is door de kantonrechter op 28 mei 2025 bij verstek veroordeeld tot betaling van het gevorderde.
3.2.
[eiser] vordert, in de verzetdagvaarding, ontheffing van de veroordeling en afwijzing van de oorspronkelijke vordering. Daartoe voert [eiser] aan dat hij de betaling terecht niet heeft gedaan, nu de tachograafschijven en de daarbij behorende digitale DDD-bestanden niet door [gedaagde] zijn aangeleverd. Om die reden zijn de overuren niet op de juiste wijze aangetoond, althans konden deze niet worden gecontroleerd en bestaat voor [eiser] geen betalingsverplichting. Ook [eiser] beroept zich op het vonnis van de Voorzieningenrechter. [eiser] vordert in reconventie tevens terugbetaling door [gedaagde] van een voorschot van € 400,00.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter sluit zich aan bij het oordeel van de Voorzieningenrechter van 28 maart 2024 dat uit artikel 26a van de toepasselijke CAO een chauffeur verplicht is om tachograafschijven aan zijn werkgever af te geven en dat uit artikel 17 van het bedrijfsreglement volgt dat een chauffeur alleen recht heeft op uitbetaling van overuren, nadat deze op basis van de door hem af te geven tachograafschijven zijn gecontroleerd. In de uitspraak van 28 maart 2024 heeft de Voorzieningenrechter op grond van die regelingen een duidelijke instructie gegeven aan [gedaagde]. Hij moest zijn persoonsgebonden bestuurderskaart (de huidige versie van de tachograafschijven) bij het kantoor van [eiser] in Velsen digitaal laten uitlezen. Dit zou de noodzakelijke, digitale DDD-bestanden genereren. Met die bestanden kon [eiser] de gemaakte overuren vaststellen en ook zijn (verplichte) administratie richting de controlerende instanties (zoals de Inspectie Leefomgeving en Transport) in orde maken.
4.2.
Ondanks de veelvuldige communicatie door partijen en instructies van [eiser], heeft dit niet geleid tot daadwerkelijke afgifte en uitlezing van de bestuurderskaart van [gedaagde], althans bleken de overuren over augustus en september 2023 door tijdsverloop niet meer te downloaden toen [gedaagde] hiervoor in juli 2024 de juiste procedure volgde. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] dit ook erkend. Het betoog van [gedaagde] dat de onmogelijkheid van het downloaden van de benodigde gegevens niet voor zijn risico komt, omdat [eiser] hem niet heeft gewaarschuwd dat het downloaden door tijdsverloop onmogelijk zou kunnen worden, slaagt niet. Op basis van het bedrijfsreglement wist [gedaagde] immers al dat hij zijn bestuurderskaart op het bedrijf in Velsen moest laten uitlezen, te meer omdat [eiser] daar vervolgens ook per e-mail om heeft gevraagd. En als hij het op grond daarvan al niet wist, moest hem dat in ieder geval duidelijk zijn geworden door het vonnis van de Voorzieningenrechter van 28 maart 2024. Vervolgens heeft [eiser] meerdere malen om afgifte van die gegevens verzocht en ook aangegeven hoe [gedaagde] dat moest en kon doen. Uit de gewisselde correspondentie en verdere gang van zaken volgt dat [gedaagde] niet of nauwelijks serieuze moeite heeft gedaan om die gegevens aan [eiser] af te geven, waardoor het risico van het verloren gaan daarvan voor zijn rekening komt. Zijn verweer dat hij zich door [eiser] geïntimideerd voelde en daarom niet meer naar diens bedrijf wilde komen, slaagt ook niet. De gestelde intimidatie is niet nader onderbouwd en bovendien heeft [gedaagde] in de correspondentie tussen partijen nooit aangegeven dat hij om deze reden de gegevens niet kon of wilde afgeven.
4.3.
Gelet op het voorgaande is de conclusie dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan zijn verplichting om de overuren op de juiste wijze aan te tonen. Het belang van [eiser] bij aanlevering op de specifiek gevorderde wijze is voldoende gemotiveerd. [eiser] heeft die gegevens niet alleen nodig om de door [gedaagde] opgegeven overuren te controleren, [eiser] moet zich ook kunnen verantwoorden bij de desbetreffende instanties (zoals de ILT) die digitale aanlevering van die gegevens verlangen en loopt de komende jaren risico op (hoge) boetes. Inmiddels kunnen de DDD-bestanden door het tijdsverloop ook niet meer worden aangeleverd/gegenereerd. De tachograafschijven zijn gewist/overschreven met nieuwe data. Omdat [gedaagde] niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting tot afgifte van de tachograafschijven, hoeft [eiser], gelet op artikel 26 CAO in combinatie met artikel 17 van het bedrijfsreglement, de door [gedaagde] gestelde overuren niet te betalen.
4.4.
De conclusie is dat het verzet gegrond is. Het verstekvonnis kan dan ook niet in stand blijven. De oorspronkelijke vordering zal alsnog worden afgewezen.
Reconventionele vordering
4.5.
[eiser] vordert in reconventie € 400,00 die hij als voorschot aan [gedaagde] heeft overgemaakt gedurende een rit in augustus 2023 van IJmuiden naar Izmit, Turkije. [gedaagde] heeft gesteld dat dit een onkostenvergoeding betrof ten aanzien van een boete ad € 390,71, welke boete hij ter plekke moest betalen in Bulgarije. Partijen verschillen van mening over de rechtmatigheid van de boete en wie voor deze boete verantwoordelijk is.
4.6.
Vast staat dat de boete samenhangt met de verplichting om voor een bepaalde route in Bulgarije tol te betalen. Vast staat ook dat [eiser] die tolbetaling (via internet) voor haar rekening heeft genomen. Vermoedelijk is de boete opgelegd toen [gedaagde], zoals hij heeft aangevoerd, wegens wegwerkzaamheden, een stukje van de route heeft moeten afwijken. Dat [gedaagde] bewust heeft gehandeld in strijd met verkeersregels en daardoor een boete is opgelopen, is niet gebleken. Uit het bedrijfsreglement volgt dat boetes in principe voor rekening van de chauffeur zijn, maar dat de directie anders kan beslissen. [eiser] heeft ter zitting toegelicht dat de directie anders beslist als de chauffeur geen blaam treft of hij de boete heeft opgelopen, omdat hij de belangen van het bedrijf voorrang gaf boven het naleven van de verkeersregels. De kantonrechter is van oordeel dat een dergelijke situatie zich hier voordoet. [eiser] heeft aanvankelijk ook het boetebedrag naar [gedaagde] overgemaakt en daarbij niet aangegeven dat die boete uiteindelijk voor eigen rekening van [gedaagde] zou zijn. Gelet hierop komt de boete voor rekening van [eiser]. De vordering wordt in het geheel afgewezen.
4.7.
De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij in zowel de verstek- als in de verzetprocedure de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
verklaart het verzet gegrond en vernietigt het verstekvonnis van 28 mei 2025;
5.2.
wijst de oorspronkelijke vordering van [gedaagde] alsnog af;
5.3.
wijst de reconventionele vordering van [eiser] ook af;
5.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten in de verstek- en de verzetprocedure draagt;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en op 10 december 2025 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter