ECLI:NL:RBNHO:2025:13612

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
C/15/370561 / KG ZA 25-646
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kort geding over betalingsvorderingen tussen een hippisch bedrijf en buitenlandse vennootschappen

In deze zaak, die op 20 november 2025 door de Rechtbank Noord-Holland is behandeld, vorderde een hippisch bedrijf, aangeduid als [eiseres], betaling van verschillende bedragen door twee buitenlandse vennootschappen, [de VOF br 1] en [de VOF br 2], die gevestigd zijn in Hongarije. De vorderingen waren gebaseerd op overeenkomsten voor de stalling, verzorging en training van vijftien paarden. De gedaagden waren niet verschenen, waardoor de voorzieningenrechter verstek verleende. De eis van [eiseres] omvatte onder andere bedragen voor onbetaalde facturen, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De voorzieningenrechter oordeelde dat de dagvaarding op correcte wijze was betekend aan de gedaagden, en dat de Nederlandse rechtbank bevoegd was om van de vorderingen kennis te nemen, gezien de uitvoering van de overeenkomsten in Nederland. De eiswijziging van [eiseres] werd niet toegestaan, omdat deze niet op de juiste wijze aan de gedaagden was betekend. Uiteindelijk werden de vorderingen van [eiseres] toegewezen, inclusief de proceskosten, en werd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/370561 / KG ZA 25-646
Vonnis in kort geding van 20 november 2025
in de zaak van
de vennootschap onder firma
[de VOF],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaten: mrs. J.J. Dijkman, M.E. Breed en L. Kunst-van Leeuwen,
tegen
1. de vennootschap naar buitenlands recht
[de VOF br 1],
te [woonplaats] (Hongarije),
2. de vennootschap naar buitenlands recht
[de VOF br 2] ,
te [woonplaats] (Hongarije),
gedaagde partijen,
hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagden] en ieder afzonderlijk: [de VOF br 1] en [de VOF br 2] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 16 oktober 2025, met producties 1-11;
  • de akte overlegging producties tevens houdende eisvermeerdering van [eiseres] , met
producties 12-14;
- het bericht van 12 november 2025 namens de voorzieningenrechter over de betekening van
de dagvaardingen;
  • de akte overlegging aanvullende producties van [eiseres] , met producties 15-18;
  • de akte overlegging aanvullende producties van [eiseres] , met producties 19-22;
  • het bericht van 13 november 2025 namens [gedaagden] , met het verzoek de zitting
twee weken aan te houden;
- de mondelinge behandeling van 13 november 2025, waarvan de griffier aantekeningen
heeft gemaakt. Mr. Breed heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen;
- het tijdens de mondelinge behandeling tegen gedaagden verleende verstek.

2.Het geschil

2.1.
[eiseres] vordert bij dagvaarding - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [de VOF br 2] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 50.670,45, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;
II. [de VOF br 1] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 78.394,72, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;
III. [de VOF br 1] en [de VOF br 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 1.372,96 voor beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
IV. [de VOF br 2] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 1.281,70 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
V. [de VOF br 1] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 1.558,95 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
VI. [de VOF br 2] en [de VOF br 1] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.2.
[eiseres] heeft bij akte van 11 november 2025 haar eis gewijzigd, in die zin dat de vorderingen voor de beslagkosten en de kosten voor stallen en onderhoud van de paarden verhoogd zijn.
2.3.
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiseres] is een hippisch bedrijf en heeft met [gedaagden] (mondelinge) overeenkomsten van stalling, verzorging en training voor vijftien paarden gesloten. [gedaagden] zijn op enig moment gestopt met de betaling van de facturen van [eiseres] , op kleine deelbetalingen na. [gedaagden] hebben de vorderingen niet betwist en hebben meermaals toegezegd tot betaling over te gaan. Betaling blijft echter iedere keer uit. De totale som aan onbetaald gebleven facturen hebben inmiddels een negatieve invloed op de cashflow en daarmee de bedrijfsvoering van [eiseres] .

3.De beoordeling

Buitenlandse betekening
3.1.
[gedaagden] zijn gevestigd in Hongarije, waardoor het geschil een internationaal karakter heeft.
3.2.
[gedaagden] zijn niet verschenen. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of hij desondanks op de vorderingen kan beslissen. Bij deze beoordeling zijn artikel 56 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en de inhoud van de Verordening (EU) 2020/1784 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken van belang. Deze verordening zal hierna worden aangeduid als: de herschikte EU-betekeningsverordening.
3.3.
Om te voldoen aan de regels omtrent betekening in het buitenland, kan [eiseres] de dagvaarding op twee manieren betekenen aan [gedaagden] :
(1) Op grond van artikel 56 lid 2 Rv kan dit door verzending van het afschrift van het te betekenen exploot naar de ontvangende instantie in Hongarije (artikel 8 juncto artikel 5 herschikte EU-betekeningsverordening). Om aan te tonen dat de dagvaarding vervolgens daadwerkelijk is betekend aan de gedaagde partijen, is een certificaat van betekening door de Hongaarse deurwaarder benodigd (artikel 14 herschikte EU-betekeningsverordening);
(2) De andere mogelijkheid is dat de dagvaarding betekend wordt per post (artikel 56 lid 3 Rv jo 18 herschikte EU-betekeningsverordening). De dagvaarding dient dan bij aangetekend schrijven of op gelijkwaardige wijze verzonden te worden naar gedaagden.
3.4.
De voorzieningenrechter heeft op basis van de informatie in het dossier vastgesteld dat de dagvaarding op 20 oktober 2025 is betekend aan [de VOF br 1] op de hiervoor onder (1) genoemde wijze. Daarnaast is gebleken uit het overgelegde UPS bewijs van aflevering dat de dagvaarding op 17 oktober 2025 op de onder (2) genoemde wijze door [de VOF br 2] in ontvangst is genomen. Bovendien is gebleken uit de overgelegde correspondentie tussen partijen dat [gedaagden] op de hoogte waren van de geplande zitting. De voorzieningenrechter heeft dan ook ter zitting verstek verleend aan [gedaagden]
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.5.
Dit kort geding heeft een internationaal karakter, zodat de vraag beantwoord dient te worden of de Nederlandse voorzieningenrechter bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Op grond van artikel 7 lid 1 onder a van de Brussel I-bis verordening is de rechtbank bevoegd van het land waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. In het onderhavige geval vindt de uitvoering van de overeenkomsten plaats in Nederland, namelijk het stallen, trainen en verzorgen van de paarden van [gedaagden] bij [eiseres] .
3.6.
De vraag welk recht van toepassing is, moet worden beantwoord aan de hand van de Rome I-verordening. Op grond van artikel 4 lid 1 sub b Rome I wordt het op de onderhavige overeenkomsten toepasselijke recht beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft. Dat is in dit geval het Nederlandse recht, nu [eiseres] als dienstverlener gevestigd is in de gemeente Schagen.
Eiswijziging niet toelaatbaar
3.7.
Bij akte van 11 november 2025 heeft [eiseres] een verzoek ingediend om haar eis te vermeerderen. Op grond van artikel 130 lid 3 Rv is een eiswijziging in beginsel niet toegestaan ten opzichte van een niet-verschenen gedaagde. [eiseres] kan hieraan ontkomen door de eiswijziging tijdig bij exploot aan de niet-verschenen partijen te laten betekenen. Ter zitting is gebleken dat de eiswijziging niet bij exploot aan [gedaagden] is betekend. [eiseres] heeft de eiswijziging weliswaar naar [gedaagden] gemaild, maar dit is onvoldoende om de eiswijziging toe te laten. Uit de correspondentie tussen partijen waarop [eiseres] wijst blijkt wel dat [gedaagden] bekend waren met de zitting, maar niet dat zij (ook) op de hoogte waren van de eiswijziging. De eiswijziging is gelet op het voorgaande niet toelaatbaar. Dit betekent dat de voorzieningenrechter zal beslissen over de vorderingen zoals deze bij dagvaarding zijn ingesteld.
Verdere inhoudelijke beoordeling
3.8.
Het gevorderde komt de voorzieningenrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.
Proceskosten
3.9.
[gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.265,40
3.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
veroordeelt [de VOF br 2] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 50.670,45, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, vanaf de verscheidene vervaldata van de facturen zoals uiteengezet in de aangehechte productie 6 tot aan de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [de VOF br 1] tot betaling van een bedrag van € 78.394,72, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, vanaf de verscheidene vervaldata van de facturen zoals uiteengezet in de aangehechte productie 8 tot aan de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 1.372,96 ter zake de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,
4.4.
veroordeelt [de VOF br 2] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.281,70 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf 16 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,
4.5.
veroordeelt [de VOF br 1] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.558,95 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf 16 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,
4.6.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 8.265,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.7.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.9.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots en in het bijzijn van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.