In deze zaak, die op 20 november 2025 door de Rechtbank Noord-Holland is behandeld, vorderde een hippisch bedrijf, aangeduid als [eiseres], betaling van verschillende bedragen door twee buitenlandse vennootschappen, [de VOF br 1] en [de VOF br 2], die gevestigd zijn in Hongarije. De vorderingen waren gebaseerd op overeenkomsten voor de stalling, verzorging en training van vijftien paarden. De gedaagden waren niet verschenen, waardoor de voorzieningenrechter verstek verleende. De eis van [eiseres] omvatte onder andere bedragen voor onbetaalde facturen, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De voorzieningenrechter oordeelde dat de dagvaarding op correcte wijze was betekend aan de gedaagden, en dat de Nederlandse rechtbank bevoegd was om van de vorderingen kennis te nemen, gezien de uitvoering van de overeenkomsten in Nederland. De eiswijziging van [eiseres] werd niet toegestaan, omdat deze niet op de juiste wijze aan de gedaagden was betekend. Uiteindelijk werden de vorderingen van [eiseres] toegewezen, inclusief de proceskosten, en werd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.