ECLI:NL:RBNHO:2025:13589

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
C/15/370260 / FA RK 25-5019
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezag van de moeder en benoeming van de GI tot voogd in een internationale context

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 5 november 2025 uitspraak gedaan over de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige, geboren in Suriname. De moeder, die het gezag had, was niet betrokken bij het leven van de minderjarige en kon geen adequate beslissingen nemen in haar belang. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om het gezag van de moeder te beëindigen en de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (GI) tot voogd te benoemen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te dragen binnen een aanvaardbare termijn, wat leidt tot ernstige bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige. De rechtbank heeft de GI benoemd tot voogd, met de mogelijkheid om de voogdij op termijn over te dragen aan de pleegmoeder, bij wie de minderjarige vrijwel haar hele leven heeft gewoond. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/370260 / FA RK 25-5019
Datum uitspraak: 5 november 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over gezagsbeëindiging en benoeming voogd
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Haarlem,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in district [district] ( [land] ),
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een onbekend adres in [land] ,
[de pleegmoeder],
hierna te noemen: [de pleegmoeder] ,
wonende in [plaats] .
De rechtbank merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de Raad, ingekomen op 2 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • [de pleegmoeder] ;
  • [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad;
  • de vader;
  • [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI;
  • [ondersteuner] , ondersteuner van [de pleegmoeder] vanuit Levvel en aanwezig als toehoorder.
1.3.
De moeder is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de moeder naar behoren is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
De vader heeft [de minderjarige] op [datum] in [land] erkend.
2.3.
[de minderjarige] verblijft sinds december 2019 bij [de pleegmoeder] in [plaats] .
2.4.
De GI heeft zich bij brief van 25 september 2025 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogdes over [de minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad brengt ter onderbouwing van het verzoek om het gezag van de moeder te beëindigen het volgende naar voren.
De moeder heeft [de minderjarige] na de geboorte vrijwillig afgestaan aan de vader en [de pleegmoeder] die toen een relatie hadden, omdat de moeder niet over de mogelijkheden en financiële middelen beschikte om zorg te dragen voor [de minderjarige] . De vader en [de pleegmoeder] zijn vervolgens met [de minderjarige] naar Nederland gereisd. Later zijn de vader en [de pleegmoeder] uit elkaar gegaan en is [de minderjarige] opgenomen in het gezin van [de pleegmoeder] .
Het is bij de Raad aan het licht gekomen dat de vader en [de pleegmoeder] niet zijn belast met respectievelijk ouderlijk gezag of voogdij, maar dat de moeder belast is met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] . Deze gezagssituatie levert problemen op, vooral nu is gebleken dat [de minderjarige] kampt met ontwikkelingsproblemen. Zo kan de nodige hulpverlening voor haar (waarschijnlijke) hechtingsproblematiek en diagnostiek voor haar mogelijk licht verstandelijke beperking niet opgestart worden omdat toestemming van een gezaghebbende ouder of voogd ontbreekt. Ook kan logopedie niet opgestart worden omdat er geen zorgverzekering voor [de minderjarige] is en [de pleegmoeder] de kosten van de logopedie niet kan dragen.
De moeder is niet teruggekomen op de keuze om afstand te doen van [de minderjarige] . Zij is bovendien onmachtig om vanuit [land] verantwoordelijkheid te dragen voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn. [de minderjarige] heeft van haar moeder, nu en in de toekomst, daarom niets te verwachten in de hoedanigheid van gezaghebbende ouder. De beëindiging van het gezag van de moeder is noodzakelijk om verdere schade in de ontwikkeling van [de minderjarige] te voorkomen.
3.3.
De Raad brengt ter onderbouwing van het verzoek om de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen het volgende naar voren. Het is noodzakelijk dat de GI de voogdij krijgt over [de minderjarige] . Hoewel [de pleegmoeder] [de minderjarige] met veel liefde heeft opgenomen in haar gezin, is het niet duidelijk of [de pleegmoeder] in staat is aan te sluiten bij de (verzwaarde) zorgbehoefte van [de minderjarige] . [de pleegmoeder] heeft aangegeven dat zij de betrokkenheid van instanties als belastend ervaart. Daarnaast heeft zij uitgesproken dat zij [de minderjarige] terug laat gaan naar [land] als het [de pleegmoeder] te veel wordt. Dit maakt dat de Raad een vermoeden heeft dat [de pleegmoeder] beperkt belastbaar is.
Daarnaast vindt de Raad het zorgelijk dat de vader en [de pleegmoeder] geen goed contact hebben met elkaar.
Ook is het niet duidelijk of het [de pleegmoeder] lukt om op korte termijn adequaat te handelen in het belang van [de minderjarige] . Het is van belang dat hulpverlening en diagnostiek voor [de minderjarige] zo snel mogelijk worden opgestart en dat regelzaken worden opgepakt. De Raad vindt dat de GI op dit moment het meest geschikt is om uitvoering te geven aan de voogdij. De GI is in staat om regelzaken direct en adequaat op de pakken.
Het is van belang dat er aandacht is voor de mogelijkheid om de voogdij op termijn over te dragen aan [de pleegmoeder] .

4.De standpunten

[de pleegmoeder]
4.1.
[de pleegmoeder] verzet zich niet tegen de verzoeken van de Raad, maar zij vindt het vervelend en pijnlijk dat zij momenteel niet met de voogdij wordt belast en dat anderen nu betrokken worden bij de besluitvorming in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .
Zij is niet gerust op het idee dat de voogdij aan haar zal worden overgedragen zodra dat mogelijk is, omdat de onduidelijkheid over het moment van de overdracht haar geen zekerheid biedt. [de pleegmoeder] wenst daarnaast dat [ondersteuner] betrokken wordt door de GI.
De vader
4.2.
De vader stemt in met het verzoek van de Raad om de voogdij over [de minderjarige] te beleggen bij de GI, maar hoopt dat, wanneer alle noodzakelijke zaken geregeld zijn voor [de minderjarige] , [de pleegmoeder] in de toekomst alsnog belast kan worden met de voogdij over [de minderjarige] .
De vader vindt het belangrijk dat de zorgen over [de minderjarige] niet aan [de pleegmoeder] verweten worden. Er moet eerst diagnostiek worden verricht bij [de minderjarige] .
De vader wil op de hoogte worden gehouden van communicatie tussen de GI en [de pleegmoeder] en van belangrijke ontwikkelingen.
De GI
4.3.
De GI vindt het op dit moment nodig dat de voogdij wordt uitgevoerd door de GI, zodat zaken voor [de minderjarige] geregeld kunnen worden en hulpverlening opgestart kan worden. De GI kan het regelen van praktische zaken voor [de minderjarige] uit handen nemen van [de pleegmoeder] .
De GI erkent dat [de pleegmoeder] [de minderjarige] jarenlang heeft verzorgd en opgevoed. Het is daarom belangrijk dat er een sterke en stabiele samenwerking tussen de GI en [de pleegmoeder] ontstaat, zodat [de pleegmoeder] nauw betrokken blijft bij het opstarten van hulpverlening en [de pleegmoeder] ook ondersteund kan worden.
De GI zal voortdurend bekijken of het nog nodig is dat zij uitvoering geeft aan de voogdij. Bij de start van de voogdij zal een plan van aanpak worden gemaakt. Zodra de doelen uit het plan van aanpak zijn bereikt en daarmee de betrokkenheid van de GI niet meer nodig is, zal de GI een verzoek indienen om de voogdij over te dragen aan [de pleegmoeder] .

5.De beoordeling

Rechtsmacht
5.1.
Op grond van de voor de rechtbank beschikbare informatie gaat de rechtbank ervan uit dat de moeder de Surinaamse nationaliteit heeft. De vader en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. Het voorgaande brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de rechtbank moet beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, moet de rechtbank het toepasselijke recht bepalen.
5.2.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van
de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied
waarvan de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hebben op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu [de minderjarige] haar gewone verblijfplaats in
Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
5.3.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op de verzoeken te beslissen, zal op grond
van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het
verzoek worden toegepast.
Het gezag van rechtswege na de geboorte
5.4.
Voor de vraag wie is belast met het gezag over [de minderjarige] , overweegt de rechtbank het volgende.
5.5.
Uit de feiten leidt de rechtbank af dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] ten tijde van haar geboorte in [land] was. Op grond van het bepaalde in artikel 16 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is voor de vraag wie destijds het gezag over [de minderjarige] heeft verkregen daarom Surinaams recht van toepassing.
5.6.
De vader en moeder van [de minderjarige] zijn nooit gehuwd geweest. Kinderen die niet binnen het huwelijk zijn geboren, niet zijn gewettigd door het huwelijk en ook niet zijn geadopteerd, zijn volgens Surinaams recht een natuurlijk kind.
.
Natuurlijke kinderen staan enkel onder voogdij [1] . De voogdij wordt uitgeoefend door een voogd. De voogd is de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige en verricht namens hem of haar rechtshandelingen. De voogd is verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige.
5.7.
Een ongetrouwde meerderjarige vrouw die een kind krijgt, wordt automatisch voogdes over dat kind. Dat blijft zo, ook al wordt het kind na de geboorte erkend door de vader; deze krijgt door de erkenning niet de voogdij over het kind. De moeder blijft in dat geval de wettelijke vertegenwoordiger van het kind.
5.8.
Dit brengt mee dat de moeder na de geboorte van [de minderjarige] van rechtswege de voogdij over haar uitoefende en dat zij dus naar Nederlandse terminologie het gezag over haar heeft.
Het gezag na de erkenning en verhuizing
5.9.
De vader heeft [de minderjarige] op [datum] erkend. [de minderjarige] verbleef op dat moment, voor zover de rechtbank bekend, nog in [land] . Voor zover dat juist is en erkenning dus in [land] heeft plaatsgevonden, heeft de vader door de erkenning naar Surinaams recht niet van rechtswege de voogdij/het gezag over [de minderjarige] gekregen. Na de erkenning was de moeder daarom nog steeds van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
5.10.
[de minderjarige] is in december 2019 naar Nederland verhuisd. In dat kader is artikel 16 van het Kinderbeschermingsverdrag 1996 relevant. Uit lid 3 van voornoemd artikel volgt dat de op grond van het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind, bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid blijft bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere staat. Dit brengt mee dat de verhuizing naar Nederland geen wijziging in het gezag van de moeder heeft gebracht.
5.11.
Voor de vader is artikel 16, lid 4, van het Kinderbeschermingsverdrag 1996 relevant. Volgens die bepaling wordt, indien de gewone verblijfplaats van het kind wordt verplaatst, het van rechtswege ontstaan van ouderlijke verantwoordelijkheid van een persoon die deze verantwoordelijkheid niet reeds heeft, beheerst door het recht van de staat van de nieuwe gewone verblijfplaats.
5.12.
Dat betekent dat naar Nederlands recht dient te worden bezien of vader mogelijk gezag heeft over [de minderjarige] heeft gekregen.
Op grond van artikel 1:253b lid 1 BW berust het gezag over een kind alleen bij de moeder, als de ouders van het kind niet met elkaar zijn gehuwd (geweest) en zij niet in het gezagsregister hebben doen opnemen dat zij gezamenlijk het gezag over het kind wensen uit te oefenen. [2] De rechtbank stelt vast dat de vader en moeder nooit met elkaar gehuwd zijn geweest en niet in het gezagsregister hebben doen opnemen dat zij gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] wensen uit te oefenen.
De wetswijziging waarin er van rechtswege gezag ontstaat bij erkenning is op 1 januari 2023 in werking getreden, zodat aan de erkenning van [de minderjarige] door vader in [land] op [datum] , in Nederland geen rechtsgevolgen op het gebied van het verkrijgen van gezag zijn verbonden.
5.13.
De rechtbank stelt, gelet op het bovengenoemde, vast dat de moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
De gezagsbeëindigende maatregel
5.14.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.15.
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat aan de criteria van artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW is voldaan en wijst het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder daarom toe.
5.16.
De rechtbank overweegt daartoe dat [de minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd zolang de moeder belast blijft met het gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] heeft mogelijk een achterstand in haar ontwikkeling, waardoor het van belang is dat er diagnostiek verricht wordt en, indien nodig, passende hulpverlening wordt ingezet. Ook heeft zij medische zorg nodig en is het voor haar ontwikkeling nodig dat er administratieve zaken geregeld worden, zoals inschrijvingen en een identiteitsbewijs. Het is gebleken dat binnen de huidige gezagssituatie noodzakelijke (medische) hulpverlening voor [de minderjarige] niet van de grond komt en het regelen van praktische zaken voor [de minderjarige] door [de pleegmoeder] niet goed mogelijk is. [de pleegmoeder] loopt er voortdurend tegenaan dat toestemming van de gezaghebbende ouder, de moeder, vereist is wanneer zij (medische) hulpverlening wil opstarten en praktische zaken wil oppakken voor [de minderjarige] .
De moeder woont in [land] , heeft weinig tot geen zicht op de opvoedsituatie van [de minderjarige] , is zeer beperkt bereikbaar en reageert niet altijd op e-mailberichten. Er is geen enkele betrokkenheid vanuit de moeder bij het leven van [de minderjarige] . Dit maakt dat dat de moeder niet in staat is om adequaat beslissingen te nemen die voor de ontwikkeling van [de minderjarige] van belang zijn. Indien het gezag van de moeder in stand zou blijven, kunnen praktische zaken voor [de minderjarige] niet geregeld worden en kan hulpverlening voor [de minderjarige] niet van de grond komen.
De rechtbank overweegt verder dat [de minderjarige] na haar geboorte door de moeder – in samenspraak met de vader en [de pleegmoeder] – is afgestaan aan de vader en [de pleegmoeder] , omdat de moeder niet beschikte over de mogelijkheden en financiële middelen om de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] op zich te nemen. Moeder is niet betrokken bij het leven van [de minderjarige] en zij heeft niet de intentie om dat te veranderen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] alsnog te dragen binnen een aanvaardbare termijn.
Gelet op het bovengenoemde acht de rechtbank het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat het gezag van de moeder beëindigd wordt.
De voogdij
5.17.
Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [de minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over haar te benoemen. De rechtbank is van oordeel dat de GI moet worden belast met de voogdij. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.
5.18.
Uit de stukken en de bespreking op zitting is naar voren gekomen dat veel dingen voor [de minderjarige] nog niet goed geregeld zijn. Het is gebleken dat er in ieder geval op korte termijn een paspoort voor [de minderjarige] aangevraagd moet worden, onderzocht moet worden of [de pleegmoeder] financieel tegemoetgekomen kan worden in de zorg die zij draagt voor [de minderjarige] , [de minderjarige] (en eventueel [de pleegmoeder] ) aangemeld moet worden voor passende hulpverlening en dat [de minderjarige] aangemeld moet worden voor medische hulpverlening en diagnostiek. Het is noodzakelijk dat deze zaken op voortvarend opgepakt en geregeld worden en dat hulpverlening van de grond komt.
De rechtbank overweegt dat de GI als professionele instantie goed haar weg kan vinden bij het regelen en oppakken van bovengenoemde zaken en het begeleiden van [de pleegmoeder] hierin. De GI is in staat om adequaat en passend aan te sluiten bij de dringende belangen van [de minderjarige] . De rechtbank acht het daarom in het belang van [de minderjarige] om nu de GI aan te wijzen als voogd.
5.19.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat er bij de uitvoering van de voogdij door de GI ook aandacht dient te zijn voor de inzet en mogelijkheden van [de pleegmoeder] . Zij heeft sinds [de minderjarige] een baby was liefdevol voor haar heeft gezorgd en haar uiterste best voor [de minderjarige] heeft gedaan. [de pleegmoeder] heeft in het verleden al geprobeerd om gezag te verkrijgen (in [land] ) en om hulpverlening in te zetten voor [de minderjarige] , maar liep daarbij tegen administratieve en financiële obstakels aan. Ook is duidelijk dat [de pleegmoeder] het liefst zelf de voogdij over [de minderjarige] wil verkrijgen en zaken voor haar wil regelen. De GI dient tijdens de uitvoering van de voogdij te onderzoeken of en zo ja wanneer het mogelijk is om de voogdij aan [de pleegmoeder] over te dragen, en daar indien mogelijk een verzoek toe in te dienen bij de rechtbank.
5.20.
De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen.
5.21.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.22.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van
[de moeder], geboren op [geboortedatum] in [land] , over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in district [district] ( [land] );
6.2.
benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige, de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025 door mr. W.P. van der Haak, voorzitter, mr. H.E.L. Grooten en mr. M.M. Cuypers, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. E.J. Thomas als griffier, en op schrift gesteld op 21 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 358 Surinaams Burgerlijk Wetboek (oud).
2.Artikel 1:252 BW.
3.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.