ECLI:NL:RBNHO:2025:13532

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
C/15/369810 / JU RK 25-1320 en C/15/369813 / JU RK 25-1321
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor minderjarigen in het kader van gezinsbescherming

Op 30 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, uitspraak gedaan in de zaken van twee minderjarigen, hierna te noemen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. De kinderrechter heeft besloten om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van beide minderjarigen te verlengen. De ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] wordt verlengd tot aan zijn meerderjarigheid, terwijl de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] wordt verlengd tot 14 november 2026. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ontwikkeling van beide minderjarigen ernstig wordt bedreigd door hun belast verleden en de verstoorde verstandhouding tussen hun ouders. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar het is momenteel onveilig voor de kinderen om bij hen te wonen. De kinderrechter heeft de Raad voor de Kinderbescherming geraadpleegd, die heeft geadviseerd in te stemmen met de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter heeft benadrukt dat de regievoering door de gecertificeerde instelling noodzakelijk blijft om de zorg en begeleiding voor beide minderjarigen te waarborgen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND7

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummers: C/15/369810 / JU RK 25-1320 en C/15/369813 / JU RK 25-1321
Datum uitspraak: 30 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermerste Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
en
[de minderjarige 2] ,geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 13 november 2024 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem;
  • het verzoekschrift met bijlagen, betreffende [de minderjarige 1] , ontvangen op 19 september 2025;
  • het verzoekschrift met bijlagen, betreffende [de minderjarige 2] , ontvangen op 19 september 2025.
  • De toetsing door de Raad voor de Kinderbescherming van het voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na twee jaar, ontvangen op 19 september 2025 voor [de minderjarige 2] en 29 oktober 2025 voor [de minderjarige 1] .
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.
1.3.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.

2.De feiten

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is laatstelijk verlengd tot 14 november 2025. De machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is laatstelijk eveneens verlengd tot 14 november 2025. [de minderjarige 1] verblijft sinds augustus 2024 op [groep] , een groep binnen [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] en [de minderjarige 2] verblijft sinds maart 2025 op [groep] , een groep binnen [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] ( [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] ) in [plaats] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid, te weten [datum] . Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot [datum] . De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar, te weten tot 14 november 206. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een accommodatie jeugdhulpverlener te verlengen tot 14 november 2026. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI onderbouwt de verzoeken als volgt. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] worden nog steeds in hun ontwikkeling bedreigd. Het is op dit moment onveilig en niet haalbaar om terug te keren naar de vader of de moeder.
3.3.
Het is van belang dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] wordt verlengd tot zijn meerderjarigheid om de zorg en begeleiding te kunnen bieden die hij nodig heeft. [de minderjarige 1] heeft door zijn problematiek behoefte aan zeer intensieve begeleiding. In de eerste maanden van 2025 zijn meerdere incidenten geweest bij de moeder thuis. In overleg met de moeder, [de minderjarige 1] , de groep en de GI is besloten dat [de minderjarige 1] niet meer op bezoek naar de moeder gaat. Inmiddels spreken zij elkaar wel weer regelmatig en hebben zij bijvoorbeeld met verjaardagen een prettig contactmoment. De vader en [de minderjarige 1] hebben geen contact met elkaar. Door de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen kan de GI in samenwerking met [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] ( [de minderjarige 1] en de moeder) het perspectief van [de minderjarige 1] bepalen en hem na zijn achttiende jaar op een passende plek plaatsen. De huidige groep waar [de minderjarige 1] verblijft, gaat helaas sluiten waardoor [de minderjarige 1] ook voor zijn meerderjarigheid nog een keer moet verhuizen. [de minderjarige 1] zal worden aangemeld bij het jongerenloket om de overgang naar 18+ zo soepel mogelijk te laten verlopen.
3.4.
Het is van belang dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] wordt verlengd om de gestelde doelen te behalen. [de minderjarige 2] is eind januari 2025 gestart met een traject bij Yes We Can Clinics om te werken aan zijn gedragsproblemen, trauma’s en verslavingen aan alcohol en drugs. Dit traject is vroegtijdig beëindigd, omdat [de minderjarige 2] steeds meer weerstand begon te vertonen en een begeleider had aangevallen. Sindsdien woont [de minderjarige 2] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Er zal binnen de ondertoezichtstelling onderzocht worden welke hulpverlening passend is en gewerkt worden aan het creëren van een nuttige dagbesteding. [de minderjarige 2] zit nu voornamelijk thuis. De poging om door School2Care de stap naar school te verkleinen, is niet succesvol gebleken. Het contact tussen de moeder en [de minderjarige 2] is goed. Zij haalt hem meerdere keren per week op activiteiten met hem te ondernemen. Het blijft wel een zorg dat [de minderjarige 2] moeite heeft met het naleven van regels bij de moeder thuis. Ook [de minderjarige 2] heeft geen contact meer met de vader.

4.De standpunten

De moeder vindt het moeilijk, maar is het wel eens met de verzoeken. De moeder heeft goed contact met [de minderjarige 1] . Hij heeft wel even de tijd nodig gehad om te verwerken dat hij niet meer thuis kan slapen. Hij was hierdoor behoorlijk van slag. Ook voor [de minderjarige 2] weet de moeder dat het beter is dat hij niet thuis woont. De moeder had het heel graag anders gezien. De moeder ziet in alles terug dat [de minderjarige 2] zichzelf het leven niet waard vindt. Zij denkt dat [de minderjarige 2] iemand nodig heeft die hem helpt om anders naar dingen te kijken dan dat hij nu doet; iemand die hij vertrouwt en waar hij een binding mee heeft.

5.De Raad voor de Kinderbescherming

De Raad adviseert in te stemmen met het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] na twee jaar te verlengen. De Raad is er gerust op dat met deze maatregelen het goed blijft gaan met [de minderjarige 1] , ook omdat dit de enige garantie biedt op continuering van de zorg en het onderdak voor [de minderjarige 1] . De Raad is er eveneens gerust op dat met de verzochte maatregelen het goed blijft gaan met [de minderjarige 2] . De problematiek van [de minderjarige 2] overstijgt de mogelijkheden van de ouders. Verblijf en begeleiding binnen het [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] dient gewaarborgd te blijven.

6.De beoordeling

6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben een belast verleden, waarin zij langdurig zijn blootgesteld aan de verstoorde verstandhouding tussen hun ouders. Het ontbreekt hen tot op heden aan onbelast contact met beide ouders. [de minderjarige 1] heeft al jaren geen contact meer met de vader. Ook het contact tussen de vader en [de minderjarige 2] is inmiddels al langere tijd helemaal verbroken. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voelen zich veilig bij de moeder. Het contact tussen de moeder en hen verloopt binnen de gestelde kaders goed. Er zijn wel zorgen wat betreft de mogelijkheden van de moeder om de kinderen te begrenzen. De persoonlijke problematiek van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] maakt dat zij intensieve begeleiding nodig hebben en niet bij de moeder (of bij de vader) kunnen wonen.
6.3.
[de minderjarige 1] heeft moeite met zijn emotieregulatie. Hij heeft baat bij de intensieve begeleiding die hij krijgt op de groep waar hij nu verblijft. Het zal belastend voor hem zijn dat hij de komende tijd twee keer moet verhuizen. Regievoering door de GI blijft noodzakelijk om [de minderjarige 1] te begeleiden richting zijn meerderjarigheid en er voor te zorgen dat passende hulpverlening wordt ingezet dan wel voortgezet en ook kan worden benut.
6.4.
Ook [de minderjarige 2] vertoont gedragsproblematiek. Daarnaast is bij [de minderjarige 2] sprake van zorgen over zijn middelengebruik, gestagneerde schoolgang, het ontbreken van een dagstructuur, zijn beïnvloedbaarheid door groepsdruk, aanwezigheid van risicovolle contacten en het ontbreken van intrinsieke motivatie voor het leven. De deelname van [de minderjarige 2] aan Yes We Can Clinics en School2Care is niet succesvol gebleken. Hij verblijft nu bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en gaat niet naar school. Regievoering door de GI blijft ook voor [de minderjarige 2] noodzakelijk om er voor te zorgen dat passende hulpverlening wordt ingezet dan wel voortgezet en ook kan worden benut. Vanuit zijn woonsituatie bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] zal hulpverlening voor [de minderjarige 2] extern worden vormgegeven. Nu [de minderjarige 2] daar niet voor openstaat, wil de GI eerst inzetten op laagdrempelige hulpverlening in de vorm van een coach. De kinderrechter betwijfelt of dit voldoende zal zijn, gelet op de zorgwekkende situatie van [de minderjarige 2] en zijn houding ten opzichte van hulpverlening. De GI heeft ter zitting echter uitgelegd dat in het geval van [de minderjarige 2] een goede coach waar hij een klik mee heeft op dit moment een juiste stap is. Als [de minderjarige 2] zich daarbij voldoende comfortabel voelt, kan op zijn tempo wederom gekeken worden naar intensievere hulpverlening. Noodzakelijk is dat [de minderjarige 2] zich daarvoor gaat openstellen en dat vertrouwen opbouwen zal tijd kosten. De kinderrechter geeft de GI mee om de komende periode goed te gebruiken, zodat zoveel mogelijk voorkomen kan worden dat [de minderjarige 2] nog verder afglijdt.
6.5.
De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor [de minderjarige 1] tot [datum] en voor [de minderjarige 2] tot 14 november 2026.
6.6.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [3]
6.7.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [4]
6.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige 1], tot [datum] ;
7.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige 2], tot 14 november 2026;
7.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige 1]in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot [datum] ;
7.4.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige 2], in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 14 november 2026;
7.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2025 door
mr. A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.M. van Koutrik als griffier, en op schrift gesteld op 14 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
4.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.