ECLI:NL:RBNHO:2025:13529

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
C/15/370573 / JU RK 25-1416
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens onveilige thuissituatie bij moeder

De kinderrechter van de Rechtbank Noord-Holland heeft op 31 oktober 2025 een beschikking gegeven over een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de ouder zonder gezag, de vader. Dit besluit volgt op een incident waarbij de minderjarige zelf 112 belde vanwege het onveilige thuisklimaat, veroorzaakt door de moeder die onder invloed was van alcohol en cocaïne. Sinds 26 september 2025 verblijft de minderjarige bij de vader, conform haar wens.

Hoewel er sprake is van een positieve ontwikkeling bij de moeder door hulpverlening en behandeling, is de situatie nog te pril voor terugplaatsing. De moeder ontvangt ondersteuning vanuit SAFE en de Brijder, maar het vertrouwen van de minderjarige moet nog worden opgebouwd. De vader, die recent de zorg voor de minderjarige op zich heeft genomen, krijgt eveneens hulp en ondersteuning.

De kinderrechter acht de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige en verleent deze voor een periode van drie maanden met een aanhouding van de resterende drie maanden. Er wordt een toetsmoment ingepland om de voortgang van de situatie te evalueren, waarbij ook de schoolgang en het contact tussen moeder en kind worden betrokken. De beschikking is direct uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader voor drie maanden met een toetsmoment na die periode.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/370573 / JU RK 25-1416
Datum uitspraak: 31 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting de Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. N.H. Fridsma, kantoorhoudende te Heemskerk.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van 8 oktober 2025, ontvangen op 9 oktober 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft gelijktijdig met de behandeling van het verzoek inzake C/15/370586 / JU RK 25-1417 plaatsgevonden op 31 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
  • GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft sinds 26 september 2025 bij de vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 september 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 12 september 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de ouder zonder gezag te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter zitting heeft de GI het verzoek gewijzigd in die zin dat de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verzoekt voor de duur van drie maanden, met aanhouding van de overige drie maanden.
3.2.
De GI heeft het verzoek als volgt – samengevat – onderbouwd. Op vrijdagavond 26 september 2025 heeft [de minderjarige] zelf 112 gebeld omdat de moeder onder invloed zou zijn van alcohol en cocaïne. [de minderjarige] voelde zich niet veilig thuis. Veilig Thuis heeft daarop besloten [de minderjarige] en haar zusje [zusje] tijdelijk onder te brengen bij de vader van [de minderjarige] . [de minderjarige] verblijft sindsdien bij de vader, conform haar wens. [zusje] verblijft van zondagavond tot vrijdagmiddag bij een klasgenootje en in het weekend bij de vader van [de minderjarige] , zodat de zussen elkaar blijven zien. De GI acht de moeder momenteel onvoldoende beschikbaar voor de kinderen en wil zichtbare verandering in de thuissituatie. Daarvoor is een veiligheidsplan opgesteld met voorwaarden.
3.3.
Ter zitting heeft de GI naar voren gebracht dat er bij de moeder sprake is van een stijgende lijn. De GI is nu bezig om het contact tussen de moeder en de kinderen op te bouwen. Het is van belang dat [de minderjarige] wordt meegenomen in de positieve ontwikkeling van de moeder, zodat zij weer vertrouwen heeft in de moeder voordat zij terug naar huis gaat. De GI zal hiervoor hulpverlening voor [de minderjarige] en het systeem inzetten. De GI is op de hoogte van de wens van [de minderjarige] om bij de vader te blijven. De vader is echter pas recent in beeld en heeft ook hulpverlening en ondersteuning nodig bij de zorg voor [de minderjarige] , zeker gezien haar belaste verleden en het feit dat hij plotseling de (volledige) zorg voor zijn kind heeft gekregen. De GI gaat samen met de school van [de minderjarige] kijken of er leerlingenvervoer geregeld kan worden zodat [de minderjarige] naar haar huidige school kan blijven gaan. De GI wil graag met het gewijzigde verzoek een toetsmoment inlassen, zodat over drie maanden kan worden gekeken hoe de situatie dan is.

4.De standpunten

4.1.
De moeder heeft naar voren gebracht dat zij [zusje] al weer een paar keer heeft gezien. Met [de minderjarige] verloopt het contact wat stroever waardoor zij nog niet heeft kunnen zien dat het nu al een maand heel goed gaat met de moeder. De moeder erkent dat zij [de minderjarige] vaker heeft beloofd dat het beter zou worden. Nu heeft de moeder echter ander soort hulp, vanuit SAFE en de Brijder. De advocaat heeft namens de moeder ingestemd met het verzoek. [de minderjarige] moet nog het vertrouwen krijgen dat het goed blijft gaan met de moeder. Daar zal de GI ook een rol in moeten spelen.
4.2.
De vader heeft aangegeven achter het verzoek van de GI te staan. De vader is nu ‘ineens’ vader geworden en dat is voor hem wel wennen en schakelen. Ook vindt hij het af en toe zwaar, zeker als [zusje] in het weekend ook bij hem is. Hij vindt het wel belangrijk dat de zussen elkaar kunnen zien en zal alles doen voor [de minderjarige] . De vader staat open voor hulpverlening en kan met vragen bij de GI en bij zijn eigen moeder, de oma van [de minderjarige] , terecht.

5.De mening van [de minderjarige]

5.1.
heeft verteld dat zij het heel fijn vindt bij de vader en dat zij daar nog lang wil blijven. Zij voelt zich sinds zij bij de vader is rustiger dan voorheen. [de minderjarige] vindt het fijn om [zusje] in het weekend te zien, maar vindt het doordeweeks ook wel lekker rustig. Misschien moet [de minderjarige] van school wisselen als zij bij de vader blijft, maar dat heeft ze ervoor over.

6.De beoordeling

6.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
6.2.
De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt. Mede vanwege de onveilige en instabiele thuissituatie waarin [de minderjarige] is opgegroeid en de persoonlijke problematiek van de moeder, waardoor zij niet altijd beschikbaar is geweest voor haar kinderen, is [de minderjarige] op 12 september 2025 onder toezicht gesteld van de GI. Recent heeft een incident plaatsgevonden en [de minderjarige] heeft op 26 september 2025 zelf de politie gebeld omdat zij zich niet veilig voelde thuis. De moeder was op dat moment onder invloed van alcohol en cocaïne. Sindsdien verblijft [de minderjarige] bij de vader.
6.3.
Ter zitting is het duidelijk geworden dat het inmiddels beter gaat met de moeder. Zij ontvangt opvoedondersteuning vanuit SAFE en behandeling en medicatie voor haar alcoholverslaving vanuit de Brijder. De moeder stelt zich open voor de hulpverlening en er is een positieve verandering zichtbaar. Deze verandering is echter op dit moment nog te pril voor een thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder. Daarnaast hebben [de minderjarige] en de moeder, sinds [de minderjarige] bij de vader verblijft, enkel nog telefonisch contact gehad met elkaar en wil [de minderjarige] op dit moment niet terug naar huis. Er zal, op het tempo van [de minderjarige] en onder begeleiding van de GI, gewerkt moeten worden aan contactopbouw tussen [de minderjarige] en de moeder. Hierbij is het van belang dat [de minderjarige] wordt meegenomen in de positieve ontwikkeling die de moeder laat zien, zodat zij weer vertrouwen in de moeder krijgt.
6.4.
De vader is niet betrokken geweest in het vroegere leven van [de minderjarige] en zij hebben pas recent (weer) contact met elkaar. [de minderjarige] doet momenteel haar schoolwerk voornamelijk thuis, omdat het vanaf de woonplek van vader te ver is om elke dag naar haar huidige school te gaan. De kinderrechter overweegt dat, nu [de minderjarige] de komende periode ook nog bij de vader blijft, het van belang is dat er hulpverlening ingezet wordt gericht op het ondersteunen van de vader bij de opvoeding en de zorg van [de minderjarige] en dat er aandacht is voor de schoolgang van [de minderjarige] .
6.5.
Omdat [de minderjarige] op dit moment niet bij de moeder kan wonen is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk. De kinderrechter is met de GI van oordeel dat een toetsmoment nodig is zodat tussentijds gekeken kan worden of de moeder haar positieve ontwikkeling doorzet en zich aan de (veiligheids)afspraken blijft houden, hoe de hulpverlening van [de minderjarige] , de moeder en de vader verloopt en of er duidelijkheid is rond de schoolgang van [de minderjarige] . De kinderrechter verleent daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van drie maanden, met aanhouding van de resterende periode van drie maanden.
6.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de ouder zonder gezag met ingang van 31 oktober 2025 tot 31 januari 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting
medio januari 2025, tegen welke zitting de moeder, mr. N.H. Fridsma, de vader en de GI dienen te worden opgeroepen;
7.4.
bepaalt dat de GI de kinderrechter en alle belanghebbenden uiterlijk twee weken voor de zitting schriftelijk dient te informeren over de actuele stand van zaken.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. ten Bos, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 14 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.