In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Holland op 10 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel, ingediend door de officier van justitie. De crisismaatregel was eerder opgelegd door de burgemeester van de gemeente Castricum op 6 oktober 2025. De officier van justitie verzocht de rechtbank om de voortzetting van deze maatregel, die onder andere het toedienen van vocht, voeding en medicatie omvatte, evenals beperkingen in de bewegingsvrijheid van de betrokkene.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de betrokkene, die op dat moment in een accommodatie verbleef, op 8 oktober 2025 ongeoorloofd afwezig was en naar Duitsland was vertrokken. Dit leidde tot de vraag of de betrokkene op de hoogte was van de mondelinge behandeling die op die datum zou plaatsvinden. De rechtbank heeft de mondelinge behandeling uitgesteld naar 10 oktober 2025 om de betrokkene de kans te geven aanwezig te zijn. Echter, de betrokkene is niet teruggekeerd en was ook niet bereikbaar voor zijn advocaat.
Gezien deze omstandigheden en het feit dat de termijn voor het beslissen over het verzoek op 10 oktober 2025 afliep, kon de rechtbank niet anders dan het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel afwijzen. De rechtbank oordeelde dat de crisismaatregel was vervallen en dat er geen grond was voor verlenging. De beslissing werd genomen door rechter A.K. Mireku, in aanwezigheid van griffier M. Groot, en werd openbaar uitgesproken op dezelfde dag. De schriftelijke uitwerking van de beschikking is op 13 oktober 2025 vastgesteld.