ECLI:NL:RBNHO:2025:13259

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
11860160 \ AO VERZ 25-78
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Billijke vergoeding bij onregelmatige opzegging van arbeidsovereenkomst van onbevoegd docent

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 14 november 2025 uitspraak gedaan in een arbeidsrechtelijke kwestie. De zaak betreft een docent die in dienst was bij een school, maar de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. De school heeft na negen jaar dienstverband de arbeidsovereenkomst beëindigd, waarbij zij zich beroept op het einde van rechtswege door het sluiten van tijdelijke contracten. De werknemer, die geen bevoegdheid had om les te geven, berustte in de opzegging maar stelde dat deze onregelmatig was en vroeg om een billijke vergoeding. De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan door de ketenregeling, ondanks de cao-bepalingen die onbevoegde docenten uitsluiten. De opzegging werd als onregelmatig gekwalificeerd, omdat deze niet voldeed aan de wettelijke eisen. De kantonrechter kende de werknemer een billijke vergoeding toe van € 15.000,-, rekening houdend met het inkomensverlies en de omstandigheden van de zaak. De proceskosten werden door beide partijen zelf gedragen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: 11860160 \ AO VERZ 25-78
Beschikking van 14 november 2025
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. J.A. Keijser,
tegen
[verweerder],
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
In deze zaak heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd. De werknemer berust in de opzegging, maar stelt dat de opzegging onregelmatig was en maakt aanspraak op een billijke vergoeding. Aan de werknemer wordt een billijke vergoeding toegekend.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift, met een tegenverzoek
- aanvullende stukken van [verzoeker] van 15 oktober 2025
- de mondelinge behandeling van 20 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verweerder] , geboren op [datum] , is sinds 5 oktober 2016 in dienst bij [verzoeker] . De functie van [verweerder] is Docent LB met een loon van € 2.322,00 bruto per maand.
2.2.
[verweerder] is steeds ingezet op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van telkens één jaar. Het laatst gesloten contract liep op 31 juli 2025 af.
2.3.
[verweerder] is gedurende het dienstverband ingezet als docent voor de zogeheten Internationale Schakelklas. In die klas geeft hij nieuwkomers in Nederland les. [verweerder] heeft formeel geen bevoegdheid om les te geven.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
[verzoeker] verzocht bij verzoekschrift – voor zover de arbeidsovereenkomst nog bestaat – de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden vanwege omstandigheden die redelijkerwijs aan voortzetting van de arbeidsovereenkomst in de weg staan. [verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat zij een onbevoegd docent niet voor de klas mag laten staan als zij in staat is een bevoegd docent in te zetten. Haar primaire standpunt is echter steeds geweest dat de arbeidsovereenkomst door verloop van de overeengekomen tijd al is geëindigd.
3.2.
[verweerder] heeft zich in eerste instantie verweerd tegen het verzoek. [verweerder] stelt dat op grond van de ketenregeling een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Hij kwalificeert het door [verzoeker] beoogde einde van rechtswege en het feit dat hij niet meer tewerk is gesteld en geen loon meer heeft ontvangen, als opzegging. Hij berust nu in die opzegging, maar maakt aanspraak op een billijke vergoeding omdat die opzegging onregelmatig was.

4.De beoordeling van het verzoek

4.1.
De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of tussen partijen een overeenkomst voor bepaalde tijd bestond, of dat in de loop der tijd een overeenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. [verweerder] doet in dit verband een beroep op de ketenregeling en wijst erop dat hij in totaal negen jaar, steeds op basis van een jaarcontract, bij [verzoeker] werkt.
4.2.
[verzoeker] onderkent dat de ketenregeling met zich brengt dat inmiddels een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou zijn ontstaan. [verzoeker] heeft er echter op gewezen dat zowel de Wet voortgezet onderwijs 2020 als de cao Voortgezet Onderwijs 2024-2025 bepalen dat onbevoegde docenten niet in dienst kúnnen zijn op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaald tijd. In die ‘botsing’ tussen twee wettelijke en cao-regimes, komt de beperking van de mogelijkheden voor onbevoegde docenten als winnaar uit de strijd, aldus [verzoeker] .
4.3.
De kantonrechter deelt die opvatting niet. De ketenregeling – die overigens ook letterlijk in de cao herhaald is – is een wezenlijk onderdeel van het arbeidsrecht, dat ingericht is ter bescherming van de werknemer. Een dergelijk wezenlijke beschermingsbepaling kan niet ondergraven worden door een branche-specifieke bepaling die niet arbeidsrechtelijk van aard is, maar gericht is op optimalisatie van de kwaliteit van het onderwijs. Het is aan de werkgever om die wettelijke regels toe te passen en te zorgen dat zij daaraan voldoet. Dat zij dat vervolgens niet doet, kan niet aan de werknemer worden tegengeworpen.
4.4.
De conclusie is dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan.
4.5.
Vervolgens is de vraag hoe het handelen van [verzoeker] moet worden gekwalificeerd. Zij heeft het einde van de arbeidsovereenkomst (in haar ogen nog: arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd) aangezegd tegen 1 augustus 2025. Zij heeft aan [verweerder] medegedeeld dat er geen werk meer voor hem is, [verweerder] heeft niet meer gewerkt en [verzoeker] heeft geen loon meer betaald. Dat handelen kwalificeert als een opzegging.
4.6.
[verweerder] heeft zich ter zitting bij die opzegging neergelegd en maakt aanspraak op de billijke vergoeding van art. 7:681 BW. Voor toekenning van een dergelijke vergoeding moet komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst ‘onregelmatig’ is opgezegd; dat betekent dat in strijd met de wettelijk voor opzegging geldende regels is opgezegd. Uitgangspunt is dat een arbeidsovereenkomst door een werkgever niet zomaar kan worden opgezegd. Dat is slechts in uitzonderingssituaties mogelijk, zoals na twee jaar ziekte of nadat UWV toestemming heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Vastgesteld kan worden dat de opzegging van [verzoeker] onregelmatig is geweest; de uitzonderingssituaties doen zich niet voor.
4.7.
Daarmee heeft [verweerder] aanspraak op een billijke vergoeding, op grond van art. 7:681 BW. De hoogte van die billijke vergoeding wordt bepaald aan de hand van een aantal ‘gezichtspunten’ zoals door de Hoge Raad vastgesteld. Het inkomensverlies dat een werknemer heeft als gevolg van de onregelmatige opzegging, is daarbij een belangrijk uitgangspunt. Daarom moet een inschatting worden gegeven van hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben voortgeduurd, als deze niet onregelmatig was opgezegd.
4.8.
De kantonrechter oordeelt dat dit slechts enkele maanden zou zijn geweest, omdat het waarschijnlijk is dat een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door werkgever zou worden toegewezen. Vast staat namelijk dat [verweerder] – hoewel de kwaliteit van zijn onderwijs en zijn betrokkenheid bij de leerlingen in het geheel niet ter discussie staat, ook niet bij [verzoeker] – officieel niet bevoegd is om les te geven. [verzoeker] heeft dan de wettelijke plicht om voorrang te geven aan docenten die wél de juiste bevoegdheid hebben. Gebleken is dat die mogelijkheid nu bestaat. Dat gegeven, in combinatie met de achtergrond van de nu door [verzoeker] gemaakte keuze (voor welke keuze [verweerder] ter zitting begrip heeft getoond), maakt dat de arbeidsovereenkomst waarschijnlijk ontbonden zou zijn, omdat sprake is van omstandigheden die redelijkerwijs aan voortzetting van de arbeidsovereenkomst in de weg staan.
4.9.
Die ontbinding zou waarschijnlijk hebben plaatsgevonden per 1 januari 2026. Daarmee is [verweerder] 5 maanden loon (te vermeerderen met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering) misgelopen. Het inkomensverlies wordt daarmee vastgesteld op grofweg € 13.500,-. De kantonrechter zal dat bedrag verhogen tot € 15.000,- bruto. De reden daarvoor is als volgt.
4.10.
Duidelijk is dat [verzoeker] [verweerder] waardeerde; als mens en als waardevolle kracht voor haar organisatie. Voor de kantonrechter is ook duidelijk geworden dat [verweerder] ondanks (of misschien wel juist: door) zijn leeftijd bijzonder goed was in zijn werk. Hij gaf les aan nieuwkomers en heeft daarvoor lesmateriaal ontwikkeld in verschillende talen. De liefde voor het vak en de (terechte) trots was voelbaar, toen [verweerder] tijdens de zitting vertelde over leerlingen die doorstromen vanuit zijn klas naar de HAVO of het VWO. De heer [naam] , bestuurder van [verzoeker] , heeft dat met zo veel woorden ook gezegd: [verweerder] is een bijzondere man. Hoewel zonder kwade bedoelingen gedaan, heeft [verzoeker] [verweerder] vanuit zakelijk oogpunt wel erg lang laten ‘bungelen’ in onzekerheid door steeds jaarcontracten af te sluiten (terwijl dat eigenlijk niet meer mocht) en dat heeft [verzoeker] al die tijd – ook nog in de aanloop naar en tijdens deze procedure – vastgehouden, terwijl zij beter had moeten weten. Deze onhandige en ongelukkige gang van zaken wil de kantonrechter tot uitdrukking brengen in de vergoeding.
4.11.
Na de sluiting van het formele deel van de zitting en de start van de gesprekken over een mogelijke minnelijke regeling, is duidelijk geworden dat [verweerder] recent ander werk heeft gevonden, waarmee hij ook een inkomen verdient. De kantonrechter laat dat inkomen niet in mindering strekken op de vergoeding, omdat zij dat niet passend vindt en die informatie ook formeel geen onderdeel uitmaakt van het procesdossier; die informatie is immers pas ter sprake gekomen nadat de inhoudelijke behandeling is gesloten.
4.12.
Ten aanzien van de proceskosten zal de kantonrechter, vanwege de aard van de zaak, bepalen dat ieder de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling aan [verweerder] van een billijke vergoeding van € 15.000,-.
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025.