Op 18 februari 2025 drongen verdachte en een mededader gewapend met een mes en bivakmutsen de woning van het slachtoffer binnen te Egmond aan den Hoef. Het slachtoffer werd bedreigd, vastgebonden en er werden contant geld, pinpassen en een mobiele telefoon weggenomen. Tevens werd inbraak gepleegd in een camper van de zoon van het slachtoffer waarbij een laptop en digitale ontvanger werden gestolen.
De rechtbank baseerde haar oordeel op camerabeelden, DNA-sporen op het breekijzer gebruikt bij de inbraak, en getuigenverklaringen. De verdachte ontkende betrokkenheid, maar zijn verklaringen werden als ongeloofwaardig verworpen. De feiten werden wettig en overtuigend bewezen verklaard.
De rechtbank kwalificeerde de feiten als diefstal met geweld in vereniging en diefstal met braak in vereniging. Gelet op de ernst van de feiten, het langdurige geweld en het strafblad van de verdachte, werd een gevangenisstraf van vier jaren opgelegd, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis.
De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd grotendeels toegewezen: € 940,- materiële schade en € 2.300,- immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De vordering van de tweede benadeelde partij werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen. De rechtbank legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op en bepaalde dat het in beslag genomen breekijzer bewaard blijft ten behoeve van de rechthebbende.