ECLI:NL:RBNHO:2025:12681

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
10525832
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compensatie voor geannuleerde vlucht door COVID-19 beperkingen

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 29 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een passagier en de luchtvaartmaatschappij Air France. De passagier had een vervoersovereenkomst gesloten voor een vlucht van Amsterdam naar Costa Rica, die op 6 juni 2021 zou plaatsvinden. Deze vlucht werd echter geannuleerd door de vervoerder, die zich beriep op buitengewone omstandigheden als gevolg van de coronapandemie. De passagier verzocht om compensatie van € 600,00, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter oordeelde dat de vervoerder niet kon aantonen dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden die niet voorkomen konden worden. De rechter wees het verzoek van de passagier grotendeels toe, inclusief de wettelijke rente vanaf de datum van de vlucht. De vervoerder werd veroordeeld tot betaling van in totaal € 708,90 aan de passagier, inclusief proceskosten en nakosten. De uitspraak benadrukt de verplichtingen van luchtvaartmaatschappijen onder de Europese Verordening (EG) nr. 261/2004, zelfs in het licht van de coronamaatregelen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10525832 \ CV FORM 23-3266
Uitspraakdatum: 29 oktober 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
[verzoeker], wonende te [plaats]
verzoekende partij
verder te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Air France
gevestigd te Roissy (Frankrijk)
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD)

1.Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:
  • het vorderingsformulier (formulier A);
  • het antwoordformulier (formulier C) en het verweerschrift.

2.De feiten

2.1.
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder haar op 6 juni 2021 moest vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Charles de Gaulle Airport (Frankrijk) naar Juan Santamaría International Airport (Costa Rica), met de vluchtcombinatie AF1241 en AF430.
2.2.
De vervoerder heeft vlucht AF430 (hierna: de vlucht) geannuleerd.
2.3.
De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder verzocht.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3.Het geschil

3.1.
De passagier verzoekt de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
- primair € 181,50 subsidiair € 108,90 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 17 juni 2021;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagier baseert haar verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder haar vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00. [1]
3.3.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
In het formulier A heeft de passagier aangegeven een mondelinge behandeling te verlangen, als de vervoerder reageert met stukken ter staving van zijn stellingen. De kantonrechter zal dit verzoek echter weigeren omdat zij, gezien de omstandigheden van de zaak, van oordeel is dat een eerlijke rechtspleging in deze zaak geen mondelinge behandeling vergt.
4.3.
Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering van de vlucht het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. [2]
4.4.
Hij stelt in dit verband dat de vlucht is geannuleerd vanwege de coronapandemie en de daardoor geldende restricties.
4.5.
Vast staat dat op het moment dat de vlucht had moeten worden uitgevoerd er sprake was van een wereldwijde corona uitbraak en dat de coronapandemie grote gevolgen heeft gehad voor de luchtvaart. De Europese commissie heeft in haar richtsnoeren betreffende de EU-verordeningen inzake passagiersrechten in de context van de ontwikkeling van COVID-19 het volgende overwogen:
“De Commissie is van mening dat als overheden maatregelen nemen om de COVID-19-pandemie in te perken, die maatregelen naar hun aard en oorsprong niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteiten van luchtvaartmaatschappijen en dat de maatschappijen die maatregelen niet in de hand hebben.
Volgens artikel 5, lid 3, wordt van het recht op compensatie afgezien op voorwaarde dat de desbetreffende annulering “het gevolg is” van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden.
Er wordt geacht aan die voorwaarde te zijn voldaan als overheden bepaalde vluchten regelrecht verbieden of het verkeer van personen op zodanige wijze verbieden dat de desbetreffende vlucht niet kan worden uitgevoerd.
Aan die voorwaarde kan ook worden voldaan als de vlucht wordt geannuleerd onder omstandigheden waarin de overeenkomstige verplaatsing van personen niet volledig verboden is, maar beperkt is tot personen die een afwijking genieten (bijvoorbeeld onderdanen of ingezetenen van de desbetreffende staat).
Als niemand van die personen een bepaalde vlucht zou nemen, zou die vlucht leeg blijven als hij niet zou worden geannuleerd. In dergelijke situaties kan het gerechtvaardigd zijn dat een luchtvaartmaatschappij de vlucht niet pas heel laat maar tijdig annuleert (zelfs zonder zeker te zijn van de rechten van de verschillende passagiers om te reizen), zodat er passende organisatorische maatregelen kunnen worden genomen, onder meer betreffende de door de luchtvaartmaatschappij verplichte verzorging van passagiers. In dergelijke gevallen en afhankelijk van de omstandigheden kan een annulering nog steeds worden beschouwd als “het gevolg” van de maatregel van de overheden. Afhankelijk van de omstandigheden kan dat ook het geval zijn voor vluchten in de omgekeerde richting van de vluchten die rechtstreeks onder het verbod op het verkeer van personen vallen.
Als de luchtvaartmaatschappij besluit een vlucht te annuleren en aantoont dat dit besluit gerechtvaardigd is om de gezondheid van de bemanning te beschermen, moet die annulering ook als “het gevolg” van buitengewone omstandigheden worden beschouwd.
Bovenstaande overwegingen zijn niet uitputtend en kunnen niet uitputtend zijn in die zin dat ook andere specifieke omstandigheden met betrekking tot COVID-19 onder de invloedssfeer van artikel 5, lid 3, kunnen vallen.”
4.6.
De kantonrechter stelt voorop dat zij niet gehouden is aan de richtsnoeren, nu dit geen geldend recht is. Wel kunnen de richtsnoeren richtinggevend zijn. De vraag die voorligt is of verplaatsing van en naar Nederland, Frankrijk en/of Costa Rica op 6 juni 2021 verboden dan wel beperkt was. De kantonrechter oordeelt dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Zij overweegt daartoe als volgt.
4.7.
Weliswaar stelt de vervoerder dat er op 6 juni 2021 (algemene) COVID-19 maatregelen golden, maar dit maakt niet dat de vlucht niet kon worden uitgevoerd. Dat er beperkingen werden gesteld aan het vieren van vakantie in Costa Rica zodat vluchten nagenoeg leeg bleven, maakt dit niet anders. Wellicht heeft de vervoerder keuzes gemaakt die vanuit het oogpunt van de onderneming en/of het milieu het meest gunstig waren, maar dit ontslaat hem niet van zijn verplichting om gedupeerde passagiers te compenseren. Het beroep van de vervoerder op een buitengewone omstandigheid wordt dan ook verworpen. De vraag of hij alle redelijke maatregelen heeft genomen kan gelet op het voorgaande onbeantwoord blijven. De door de passagier verzochte compensatie zal daarom worden toegewezen.
4.8.
Ten aanzien van de over de hoofdsom verzochte wettelijke rente wordt als volgt overwogen. De passagier heeft de wettelijke rente verzocht vanaf de datum van de vlucht. Het betreft hier een verzoek tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade terstond opeisbaar is. [3] Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf 6 juni 2021, zijnde de datum waarop de vlucht op de eindbestemming had moeten aankomen.
4.9.
De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Het verzoek heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagier buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn. Het primair verzochte bedrag is hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. De kantonrechter zal het verzochte bedrag daarom toewijzen tot het wettelijke tarief, namelijk € 108,90 (inclusief btw), en voor het overige afwijzen.
4.10.
De verzochte rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van ontvangst van het formulier A. De passagier heeft daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum had.
4.11.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover de passagier daadwerkelijk nakosten zal maken. De verzochte rente is toewijsbaar vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking.
4.12.
Op verzoek van de passagier zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht. [4]

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 708,90, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 600,00 vanaf 6 juni 2021 en over € 108,90 vanaf 24 mei 2023 tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op € 214,00 aan griffierecht en € 135,00 aan salaris gemachtigde;
en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kleij, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Voetnoten

1.Artikel 7 van de Verordening.
2.Artikel 5 lid 3 van de Verordening.
3.Artikel 6:83 sub b BW.
4.Zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen.