Partijen, die van februari 2021 tot december 2024 een affectieve relatie hadden en samenwoonden in een gezamenlijk aangekochte woning, zijn in geschil over de toedeling van deze woning na het beëindigen van hun relatie.
De vrouw vordert dat de woning aan haar wordt toegedeeld tegen de getaxeerde waarde van € 725.000, waarbij de man wordt veroordeeld tot medewerking aan de levering en ontruiming van de woning. De man wenst zelf de woning te behouden en betwist het vergoedingsrecht van de vrouw.
De voorzieningenrechter oordeelt dat partijen tot kort voor de zitting uitgingen van toedeling aan de vrouw en dat de vrouw financieel in staat is de woning over te nemen. De man woont er alleen en moet uiterlijk op de leveringsdatum de woning ontruimen. De vorderingen van de vrouw worden grotendeels toegewezen, die van de man afgewezen. De afwikkeling van de overwaarde laat de voorzieningenrechter over aan een bodemprocedure of onderling overleg.
De kosten van de procedure worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en bevat dwangsommen voor niet-naleving.