ECLI:NL:RBNHO:2025:12453

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
AWB - 24 _ 112
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen uitnodiging tot betaling van antidumpingrechten op aluminiumfolie van oorsprong uit China

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 30 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil over de niet-preferentiële oorsprong van aluminiumfolie. Eiseres, [eiseres] GmbH uit Duitsland, had bezwaar gemaakt tegen een uitnodiging tot betaling van antidumpingrechten die door de inspecteur van de Douane was opgelegd. De Douane had vastgesteld dat de aluminiumfolie, die door eiseres in het vrije verkeer was gebracht, van oorsprong uit China was en niet uit Vietnam, zoals door eiseres was aangegeven. De rechtbank oordeelde dat de Douane voldoende bewijs had geleverd dat de aluminiumfolie de Chinese oorsprong had, onderbouwd door een onderzoek van OLAF en informatie van de Vietnamese autoriteiten. Eiseres betwistte de bevindingen van de Douane en voerde aan dat de Douane niet had voldaan aan de bewijslast. De rechtbank concludeerde echter dat de Douane terecht de uitnodiging tot betaling had uitgegeven, omdat de bewerkingen die in Vietnam waren uitgevoerd niet als ingrijpend en economisch verantwoord konden worden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep van eiseres ongegrond en wees de verzoeken om proceskosten af.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/112

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 30 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiseres] GmbH, gevestigd te [vestigingsplaats] (Duitsland), eiseres

(gemachtigde: mr. E. Köse),
en

de inspecteur van de Douane, verweerder.

Procesverloop

Deze zaak gaat over de niet-preferentiële oorsprong van aluminiumfolie.
Verweerder heeft aan eiseres een uitnodiging tot betaling (de utb) met dagtekening
9 februari 2023 uitgereikt voor een bedrag van € 25.046,08, bestaande uit € 21.540,38 aan definitieve antidumpingrechten en € 3.505,70 aan rente op achterstallen.
Eiseres heeft tegen de utb bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 oktober 2023 het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en daarbij voor diverse passages in bijlage 5 bij het verweerschrift een verzoek gedaan als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (het 8:29-verzoek).
Bij beslissing van 22 mei 2025 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank het 8:29-verzoek grotendeels toegewezen. Eiseres heeft de rechtbank geen toestemming gegeven uitspraak te doen mede op grondslag van de stukken waarvoor het 8:29-verzoek is toegewezen. Het 8:29-verzoek is voor wat betreft één onleesbaar gemaakte naam afgewezen. Bij brief van 3 juni 2025 heeft verweerder bijlage 5 opnieuw overgelegd, waarbij die naam niet meer zwart is gelakt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2025. Namens eiseres is
haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. [naam 1] en mr. drs. [naam 2] .

Feiten

1. Op 27 juni 2019 heeft eiseres via haar direct vertegenwoordiger een douaneaangifte gedaan tot plaatsing van aluminiumfolie van GN-onderverdeling 7607 1119 onder de douaneregeling ‘in het vrije verkeer brengen’. Bij deze aangifte is als land van oorsprong Vietnam vermeld. De aangifte heeft betrekking op zeven partijen aluminiumfolie van in totaal 20.944 rollen en een brutogewicht van 22.191 kg. Als verkoper stond vermeld [bedrijf 1] Ltd te Vietnam ( [bedrijf 1] ). Bij de aangifte hoort een factuur voor de goederen van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] .Ltd, waarop eiseres als geadresseerde staat vermeld.
2. Bij brief van 6 augustus 2019 heeft de Douane eiseres bericht dat het laboratorium van de Douane de aluminiumfolie van de douaneaangifte heeft onderzocht en heeft geconcludeerd tot indeling onder GN-onderverdeling 7607 1111. Het laboratorium komt tot deze indeling omdat de aluminiumfolie is aan te merken als enkel gewalst bladaluminium, niet op een drager, met een dikte van 0,007 mm of meer doch minder dan 0,021 mm op rollen met een gewicht van niet meer dan 10 kg.
3. Het Europees Bureau voor fraudebestrijding, Office Européen de Lutte Anti-Fraude (OLAF), heeft in mei 2019 een onderzoek ingesteld naar de oorsprong van zendingen aluminiumfolie vanuit Vietnam naar de Europese Unie (EU) in de periode 2017 – 2018. Op 30 juni 2022 heeft OLAF een eindrapport (het Final Report) van dit onderzoek opgesteld. OLAF heeft in het Final Report geconcludeerd dat de door [bedrijf 1] geëxporteerde aluminiumfolie de Chinese oorsprong heeft.
4. OLAF heeft, met behulp van feitelijke bevindingen ter plaatse van het Ministry of Industry and Trade van Vietnam (MOIT), vastgesteld dat [bedrijf 1] geen beschikking had over machines waarmee aluminiumfolie vanuit halffabricaten kon worden geproduceerd. [bedrijf 1] had alleen de beschikking over een kleine machine waarmee grote rollen aluminiumfolie (‘jumbo rolls’) teruggespoeld konden worden tot rollen voor huishoudelijk gebruik (‘household rolls’). OLAF heeft op basis daarvan geconcludeerd dat bij [bedrijf 1] geen of slechts een minimale bewerking heeft plaatsgevonden.
5. OLAF heeft op basis van het onderzoek geconcludeerd dat in Vietnam niet een economisch verantwoorde be- of verwerking heeft plaatsgevonden. Volgens OLAF is het proces waarbij jumbo rolls worden teruggespoeld tot household rolls, enkel naar Vietnam verplaatst om de antidumpingmaatregelen te vermijden waardoor artikel 33 van de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/2446 (GVo. DWU) van toepassing is. Het land van oorsprong van deze aluminiumfolie is daarom het land waar het grootste deel van de materialen van oorsprong is. Om vast te kunnen stellen welk land dat is, heeft OLAF onderzoek gedaan in de Descartes Datamyne/URUNET database (Descartes) en daar – voor zover hier relevant en in het dossier aanwezig – informatie over 101 invoeraangiften uit Vietnam aangetroffen van aluminiumfolie van GS-post 7607 19 uit de periode van
4 februari 2018 tot en met 15 augustus 2019. Als importeur stond telkens [bedrijf 1] vermeld, als exporteur [bedrijf 3] en als aangegeven exporteur (‘Exporter Declared’) [bedrijf 2] .Ltd. In de meeste gevallen ging het om een hoeveelheid tussen 10.000 en 20.000 kg. In de 53 invoeraangiften die vanaf 4 januari 2019 tot en met
15 augustus 2019 zijn ingediend staat telkens China vermeld als land van oorsprong, in de aangiften uit de periode daarvoor staat ‘not declared’ als land van oorsprong. Op twee aangiften na ligt de haven van vertrek in China (in twee aangiften uit november 2018 ligt de haven van vertrek in Vietnam). OLAF heeft geconcludeerd dat het land van oorsprong China is.
6. In onderdeel 1, “Background information”, van het Final Report staat onder meer:
“From the checks conducted by the Belgian Customs and by OLAF during the selection phase, it appears that a certain Mr [naam 3] has had either an ownership or a senior management role in the above mentioned companies [eiseres] GMBH, [bedrijf 2] Ltd. and [bedrijf 1] .Ltd. (…) The ORBIS reports concerning [bedrijf 1] . Ltd, [bedrijf 2] and Mr [naam 3] were included in the original allegation by the Belgian Customs (…).”.
7. In een brief van 14 januari 2021 van MOIT aan OLAF staat onder meer:
“On 02nd March 2020, Vietnam informed OLAF that Vietnam Chamber of Commerce and Industry (VCCI) did issue 53 C/O form A for the aluminium foil (…) exported tot the EU for [bedrijf 1] (…).
Through the post verification on 08th March 2019, VCCI found that the company falsified the value-added invoice for the purchase of aluminum ingots in the dossiers of C/O application documents. At the verification visit, the company did not have lines or machines to produce aluminum foil (HS 7607.11) from aluminum ingots. The company had only one machine to cut the jumbo aluminum rolls into the small aluminum rolls. Therefore, the aluminium foil product that this company declared to meet the EU GSP rules of origin is a commercial fraudulent act of origin of goods.
(…) VCCI also informed the EU to revoke the C/Os issued for the company.
(…)
Vietnam acknowledges that the Chinese aluminium foil is imposed the anti-dumping duty by the EU. However, there is no foundation to conclude that the purpose of the manufacturing process in this case was to avoid the above anti-dumping duty.”
8. Op basis van deze bevindingen van OLAF heeft verweerder bewezen geacht dat de door eiseres in de EU in het vrije verkeer gebrachte aluminiumfolie niet van oorsprong uit Vietnam is, maar van oorsprong uit China. Verweerder heeft ter zake van de aluminiumfolie aan eiseres op 22 december 2022 een brief verstuurd, waarin hij heeft aangekondigd voornemens te zijn om een uitnodiging tot betaling uit te reiken. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze op dit voornemen kenbaar te maken.
9. Nadat eiseres van de haar geboden mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, heeft verweerder de utb uitgereikt. In de toelichting op de utb heeft verweerder in de laatste alinea op bladzijde 1 abusievelijk vermeld dat uit de door OLAF ontvangen gegevens is gebleken dat het in de aangifte aangeven land van oorsprong ‘Thailand’ niet correct is. Dit moet ‘Vietnam’ zijn, zoals ook duidelijk blijkt uit het resterende deel van de toelichting.

Geschil

10. In geschil is of de utb terecht aan eiseres is uitgereikt. In geschil is de niet-preferentiële oorsprong van de aluminiumfolie. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat de aluminiumfolie onder GN-onderverdeling 7607 1111 moet worden ingedeeld.
11. Eiseres betoogt dat verweerder de utb ten onrechte aan haar heeft uitgereikt. Aangezien verweerder van de aangifte van eiseres wenst af te wijken, rust op hem de bewijslast dat de door eiseres in het vrije verkeer gebrachte aluminiumfolie de Chinese niet-preferentiële oorsprong heeft en heeft behouden. Naar de mening van eiseres heeft verweerder niet aan die bewijslast voldaan. Ter onderbouwing van dit standpunt voert eiseres het volgende aan.
Er is geen sprake van een be- of verwerking van aluminiumfolie in Vietnam die tot doel had om een antidumpingmaatregel te vermijden en dat is door MOIT in de brief aan OLAF van 14 januari 2021 ook bevestigd.
Met deze bevestiging van MOIT is voldaan aan het criterium van de ‘economisch verantwoorde be- of verwerking’ van artikel 60, tweede lid, van het Douanewetboek van de Unie (DWU). In deze zaak is sprake van een laatste ingrijpende be- of verwerking in Vietnam, die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt. Bij [bedrijf 1] hebben de basismaterialen nog meerdere productieprocessen ondergaan, onder andere walsen, snijden en scheiden, gloeien en verpakking. Het gaat hierbij niet om kleine bewerkingen. De basisfolie ondergaat diverse tijdrovende processen waarvoor verschillende specifieke machines nodig zijn. Deze processen vormen de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde bewerkingen van het eindproduct. Dat [bedrijf 1] geen machines had om aluminiumfolie te produceren vanuit aluminium baren, maar dat zij jumborollen in kleinere rollen sneed, doet daar niets aan af.
Voorts leidt de informatie uit Descartes niet onomstotelijk tot de conclusie dat de door [bedrijf 1] gebruikte basismaterialen uit China afkomstig zijn, omdat bij 47 van de daarin voorkomende 101 zendingen het land van herkomst niet is vermeld en van twee zendingen Vietnam als land van herkomst is aangegeven. Uit de informatie van Descartes blijkt dus niet dat alle 101 zendingen aluminiumfolie uit China afkomstig zijn en verweerder heeft gesteld noch bewezen dat de aluminiumfolie waarvoor hij de utb heeft uitgereikt uit China afkomstig is.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de utb. Eiseres verzoekt de rechtbank om verweerder in de proceskosten in bezwaar en beroep te veroordelen.
12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij terecht de utb aan eiseres heeft uitgereikt. Ter onderbouwing daarvan verwijst verweerder naar het onderzoek door OLAF en de informatie afkomstig van MOIT en uit Descartes. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Juridisch kader

13. Ingevolge Uitvoeringsverordening (EU) 2019/915 van de Commissie van 4 juni 2019 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde aluminiumfolie op rollen van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad is op de invoer van de in deze verordening genoemde goederen een tarief aan antidumpingrecht van toepassing van 35,6%.
14. Artikel 60 van het DWU luidt:
“1. Goederen die geheel en al in één enkel land of gebied zijn verkregen, worden geacht van oorsprong uit dat land of gebied te zijn.
2. Goederen bij de vervaardiging waarvan meer dan één land of gebied betrokken is, worden geacht van oorsprong te zijn uit het land of gebied waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende, economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.”
15. Artikel 32 van de GVo. DWU luidt:
“Goederen die zijn opgenomen in bijlage 22-01, worden geacht hun laatste ingrijpende be- of verwerking, die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt, te hebben ondergaan in het land of gebied waar aan de in die bijlage genoemde regels is voldaan of dat door die regels wordt aangewezen.”
16. Artikel 33 van de GVo. DWU luidt:
“Een be- of verwerking die in een ander land of gebied plaatsvindt, wordt als niet economisch verantwoord aangemerkt wanneer op basis van de beschikbare feiten wordt vastgesteld dat die be- of verwerking tot doel had de toepassing van de in artikel 59 van het wetboek bedoelde maatregelen te vermijden.
(…)
In het geval van goederen die niet onder bijlage 22-01 vallen, worden zij, wanneer de laatste be- of verwerking als niet economisch verantwoord wordt aangemerkt, geacht hun laatste ingrijpende, economisch verantwoorde be- of verwerking, die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt, te hebben ondergaan in het land of gebied waar het grootste deel van de materialen van oorsprong is, zoals bepaald op basis van de waarde van de materialen.”
17. Artikel 34 van de GVo. DWU luidt:
“De volgende handelingen worden niet beschouwd als ingrijpende, economisch verantwoorde be- of verwerkingen om de oorsprong te verlenen:
a. a) handelingen die dienen om producten tijdens het vervoer en de opslag in goede staat te bewaren (luchten, uitleggen, drogen, verwijderen van beschadigde delen en soortgelijke handelingen) of handelingen die de verzending of het vervoer vergemakkelijken;
b) eenvoudige handelingen die bestaan in het stofvrij maken, zeven, sorteren, rangschikken, samenvoegen, wassen, snijden;
c) veranderen van verpakking, splitsen en samenvoegen van colli, eenvoudig plaatsen in flessen, flacons, blikken, zakken, kratten of dozen, bevestigen op kaarten of platen en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de opmaak;
d) opmaken van goederen in stellen of assortimenten of voor de verkoop aanbieden;
e) aanbrengen van merken, etiketten of andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op de verpakking;
f) eenvoudig samenvoegen van delen van producten tot een volledig product;
g) demontage of gebruiksverandering;
h) een combinatie van twee of meer van de onder a) tot en met g) genoemde handelingen.”
18. Voor zover van belang luiden de niet-bindende list rules voor GN-onderverdeling 7607 1100 als volgt:

Beoordeling van het geschil

19. Aangezien verweerder wenst af te wijken van de aangiften rust op hem de bewijslast dat de aluminiumfolie de oorsprong China heeft. Daarvoor is voldoende dat verweerder tegenover hetgeen eiseres heeft aangevoerd, aannemelijk maakt dat de aluminiumfolie de oorsprong China heeft (vergelijk Gerechtshof Amsterdam,
22 december 2016 [1] ). Dit is niet in strijd met het Unierecht [2] , en ook uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt niet dat in dezen op verweerder een zwaardere bewijslast zou rusten.
20. Verweerder baseert zich op de gegevens uit het onderzoek van OLAF. Dit onderzoek omvat onder meer informatie afkomstig van de bevoegde autoriteiten van Vietnam en informatie uit Descartes. Eiseres heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de rechtbank aanleiding ziet aan de bevindingen van OLAF voorbij te gaan.
21. MOIT heeft geconstateerd dat [bedrijf 1] Forms A heeft verkregen op basis van valse facturen en heeft deze Forms A, waaronder de onderhavige, vervolgens ingetrokken. Daardoor staat vast dat de in geschil zijnde aluminiumfolie niet de preferentiële oorsprong Vietnam heeft.
22. Krachtens artikel 60, tweede lid, van het DWU is voor de verkrijging van de niet-preferentiële oorsprong bepalend in welk land, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende, economisch verantwoorde be- of verwerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt. Op grond van artikel 62 van het DWU is de Commissie bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van het land waar de laatste ingrijpende, economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden.
23. Voor aluminiumfolieproducten die vallen onder GN-post 7607 is geen specifieke lijstregel vastgesteld in artikel 32 en bijlage 22-01 van de GVo. DWU. Dit betekent dat de oorsprong moet worden vastgesteld aan de hand van de criteria van artikel 60, tweede lid, van het DWU.
23. Tijdens een bedrijfsbezoek in 2019 aan [bedrijf 1] heeft MOIT geconstateerd dat [bedrijf 1] niet beschikte over machines om aluminiumstaven te verwerken tot aluminiumfolie. [bedrijf 1] beschikte over slechts één machine, voor het terugspoelen van ‘jumbo rolls’ tot ‘household rolls’. Verder heeft OLAF in Descartes informatie aangetroffen waaruit blijkt dat [bedrijf 1] aluminiumfolie in Vietnam heeft ingevoerd. Uit deze informatie leidt de rechtbank af dat [bedrijf 1] in Vietnam hooguit en uitsluitend aluminiumfolie van grote rollen heeft teruggespoeld tot rollen voor huishoudelijk gebruik. Dit is niet een ingrijpende bewerking in de zin van artikel 60, tweede lid, van het DWU. Dit is namelijk geen fabricage van een nieuw product en vertegenwoordigt ook niet een belangrijk fabricagestadium. Het opsplitsen van grote rollen aluminiumfolie naar rollen voor huishoudelijk gebruik is een eenvoudige handeling in de zin van artikel 34, onder b of onder c van de GVo. DWU.
25. Nu op grond van artikel 60, tweede lid, van het DWU, geen Vietnamese oorsprong voor het aluminiumfolie kan worden vastgesteld, zal de rechtbank de lijstregels zoals deze zijn gepubliceerd op de website van de Europese Commissie [3] in haar beoordeling betrekken. Deze rechtens niet-bindende lijstregels dragen bij aan het bepalen van de niet-preferentiële oorsprong van goederen mits deze de draagwijdte van artikel 60 van het DWU niet wijzigen [4] . Uit de primaire lijstregel volgt dat goederen van GS-post 7607 11 moeten zijn vervaardigd uit goederen van een andere tariefpost. De bewerking door [bedrijf 1] leidt niet tot een dergelijke postverspringing, waardoor ook op grond van de niet-bindende lijstregels van de Commissie het aluminiumfolie niet de Vietnamese oorsprong heeft.
26. Eiseres stelt weliswaar dat de basismaterialen bij [bedrijf 1] nog meerdere productieprocessen hebben ondergaan, waaronder walsen, snijden en scheiden, gloeien en verpakken, maar zij heeft dit niet geconcretiseerd en de gestelde bewerkingen tegenover de gemotiveerde weerspreking door verweerder niet aannemelijk gemaakt.
26. De stelling van eiseres, dat met de bevestiging van MOIT in de brief aan OLAF van 14 januari 2021 (dat er geen grond is om te concluderen dat het doel van het productieproces in Vietnam was om de antidumpingheffing te ontwijken) ook voldaan is aan het criterium van de ‘ingrijpende economisch verantwoorde be- of verwerking’ van artikel 60, tweede lid, van het DWU, wordt door de rechtbank gepasseerd. Deze verklaring van MOIT kan namelijk alleen relevant zijn voor de vraag of een
ingrijpendebe- of verwerking al dan niet economisch verantwoord is. Nu de rechtbank van oordeel is dat de bewerking in Vietnam, zo deze al heeft plaatsgevonden, niet ingrijpend is, is de economische verantwoording van deze bewerking niet relevant. Een oorsprongverlenende be- of verwerking in de zin van artikel 60, tweede lid, van het DWU, is namelijk zowel ingrijpend als economisch verantwoord.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat verweerder zijn stelling dat de be- of verwerking van de aluminiumfolie in Vietnam tot doel had de antidumpingmaatregelen te vermijden niet aannemelijk heeft gemaakt.
26. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de aluminiumfolie niet de niet-preferentiële oorsprong Vietnam heeft.
26. Eiseres heeft de stelling van verweerder dat de aluminiumfolie de niet-preferentiële oorsprong China heeft, betwist door te stellen dat de informatie uit Descartes niet onomstotelijk tot de conclusie kan leiden dat de door [bedrijf 1] gebruikte basismaterialen uit China afkomstig zijn. Volgens eiseres zou bij 47 van de 101 invoeraangiften niet blijken van de oorsprong China en zou bij twee van die zendingen de vertrekhaven in Vietnam hebben gelegen.
30. Verweerder heeft de gegevens van de 101 invoeraangiften uit de periode van
4 februari 2018 tot en met 15 augustus 2019 overgelegd. Daaruit blijkt dat in die periode drie à vier keer per maand door [bedrijf 1] aangifte is gedaan voor de invoer in Vietnam van aluminiumfolie. In de (53) invoeraangiften van gemiddeld 12.000 kilogram per keer uit de periode van 4 januari 2019 tot en met 15 augustus 2019 is steeds China vermeld als Country of Origin. Gelet op de gestage stroom relatief kleine hoeveelheden aluminiumfolie die [bedrijf 1] heeft ingevoerd, acht de rechtbank aannemelijk dat de aangifte van 27 juni 2019 van de invoer in Nederland van 18.990,88 kg aluminiumfolie betrekking heeft op aluminiumfolie die in de voorafgaande maanden in Vietnam is ingevoerd en waarbij China is vermeld als Country of Origin. Het is aan eiseres om het tegendeel aannemelijk te maken. De rechtbank merkt hierbij op dat de manager van eiseres ook verbonden is aan [bedrijf 1] zodat zij geacht kan worden de daarvoor relevante gegevens te kunnen verstrekken. Overigens acht de rechtbank aannemelijk dat de aluminiumfolie uit de gestage stroom van zendingen afkomstig uit Chinese havens in 2018, waarin bij ‘Country of Origin’ geen land staat ingevuld, eveneens van Chinese oorsprong is geweest. Er is geen enkele aanwijzing dat die uit Chinese havens verzonden aluminiumfolie een andere oorsprong zou hebben. De stelling van eiseres, dat bij twee van die invoeraangiften de vertrekhaven in Vietnam zou hebben gelegen, maakt dat voor de onderhavige aangifte niet anders.
31. Verweerder heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de aluminiumfolie de oorsprong China heeft. Hij heeft de utb dus terecht aan eiseres opgelegd. Tegen de cijfermatige berekening van de utb heeft eiseres verder geen gronden aangevoerd.

Conclusie

32. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
33. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.C. Schipper, voorzitter, en mr. G.J. Ebbeling en
mr. drs. C.M. van Wechem, leden, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2025.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ECLI:NL:GHAMS:2016:5574, r.o. 5.8. e.v.
2.Zie het arrest van het Hof van Justitie van 23 oktober 2014, Unitrading Ltd., C-437/13, ECLI:EU:C:2014:2318
3.Non-Preferential Rules of Origin - European Commission
4.HvJ EU 10 december 2009, C-260/08, HEKO Industrieerzeugnisse GmbH, ECLI:EU:C:2009:768, punt 20 en 21