ECLI:NL:RBNHO:2025:12336

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
27 oktober 2025
Zaaknummer
C/15/340197 / FA RK 23-2436
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek eenhoofdig gezag en vaststelling zorgregeling onder regie van de GI

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 28 oktober 2025 uitspraak gedaan in een familiezakenprocedure tussen de moeder en de vader van drie minderjarige kinderen. De moeder, vertegenwoordigd door advocaat mr. B.J. den Hartog, verzocht om een zorgregeling en om een doordeweeks contactmoment met de kinderen. De vader, vertegenwoordigd door advocaat mr. M. van Espen, vroeg om eenhoofdig gezag en een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de kinderen sinds 2 oktober 2024 onder toezicht staan en dat er een procedure loopt sinds mei 2023. De rechtbank heeft de verzoeken van de vader tot eenhoofdig gezag afgewezen, omdat niet is gebleken dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders. De rechtbank heeft de zorgregeling vastgesteld, waarbij de moeder eenmaal per twee weken een weekend omgang heeft met de kinderen, en in de zomervakantie één week bij de moeder kan zijn. De vader moet een minimale bijdrage van €50 per maand voor de kinderen betalen, ondanks de bezwaren van de moeder over haar draagkracht. De rechtbank benadrukt het belang van communicatie tussen de ouders en de rol van de GI in de verdere begeleiding van de zorgregeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
Locatie Alkmaar
zaak-/rekestnr.: C/15/340197 / FA RK 23-2436
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 28 oktober 2025
in de zaak van:
[de moeder],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. B.J. den Hartog, kantoorhoudende te Amsterdam,
tegen
[de vader],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M. van Espen, kantoorhoudende te Hoorn,
--betreffende--
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [plaats] , hierna mede te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [plaats] , hierna mede te noemen: [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] te [plaats] , hierna mede te noemen: [de minderjarige 3] .

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van deze rechtbank van 2 oktober 2024;
- aanvullende stukken van de zijde van de vader, ingekomen op 20 augustus 2025 en 24 september 2025;
- informatie van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de GI), ingekomen op 17 september 2025.
1.2
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 september 2025, in aanwezigheid van de moeder, bijgestaan door mr. B.J. den Hartog en de vader, bijgestaan door mr. M. van Espen.
Tevens waren ter zitting als informanten aanwezig [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI, en [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3
Gelijktijdig met deze zaak is behandeld het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] te verlengen met een jaar, bij de rechtbank bekend onder het nummer C/15/368243/ JU RK 25-1089. In die zaak is afzonderlijk uitspraak gedaan.
1.4
[de minderjarige 1] [de minderjarige 2] [de minderjarige 3] hebben voorafgaand aan de zitting ieder afzonderlijk een gesprek gevoerd met de (kinder)rechter. Ter zitting is door de (kinder)rechter samengevat wat de kinderen hebben verteld.

2.De feiten

2.1
Voor de relevante feiten in deze zaak verwijst de rechtbank naar de tussenbeschikking van 2 oktober 2024.
2.2
[de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] staan sinds 2 oktober 2024 onder toezicht. Bij beschikking van 30 september 2025 van deze rechtbank heeft de kinderrechter deze maatregel met een jaar verlengd, tot 2 oktober 2026.

3.De verzoeken

3.1
De rechtbank dient nog te beslissen op een (gewijzigd) verzoek van de moeder
tot vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedtaken (hierna: zorgregeling), een verzoek van de vader tot eenhoofdig gezag en een verzoek van de vader tot het vaststellen een bijdrage in de verzorging en opvoeding van de kinderen.
Het standpunt van de moeder
3.2
Door en namens de moeder is aangevoerd dat zij blij is om haar kinderen weer te
zien en dat de omgang goed verloopt. De moeder heeft verzocht om een structurele zorgregeling vast te stellen, waarbij zij om de week een weekend (van vrijdag tot zondag) omgang heeft met de kinderen. Deze regeling is echter niet genoeg om de band tussen de moeder en de kinderen te behouden en versterken. De moeder acht een doordeweeks contactmoment met de kinderen daarom ook van belang.
Voor [de minderjarige 3] is het vanwege haar jonge leeftijd belangrijk dat er voor de doordeweekse omgang een vast moment wordt vastgesteld, zodat zij structuur en voorspelbaarheid heeft. Voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] kan een flexibel contactmoment worden aangehouden, afhankelijk van hun school- en sportroosters.
De verdeling van de omgang tijdens de vakanties kan onder regie van de GI worden bepaald. Als dit niet mogelijk blijkt, dan handhaaft de moeder in dit kader haar oorspronkelijke verzoek.
3.3
Met het verzoek van de vader tot eenhoofdig gezag is de moeder het niet eens. Er is geen sprake van een situatie waarin de kinderen klem of verloren zullen raken tussen de ouders bij voortzetting van het gezamenlijk gezag. Daarnaast is niet gebleken dat een wijziging in het gezag anderszins in het belang zou zijn van de kinderen.
De moeder wil betrokken zijn en blijven bij haar kinderen. In dit kader acht de moeder het van belang dat zij en de vader gaan werken aan het verbeteren van de communicatie en dat in het kader van de ondertoezichtstelling wordt ingezet op een traject Solo Parallel Ouderschap.
3.4
Wat betreft het verzoek van de vader tot het vaststellen van een bijdrage in de verzorging en opvoeding van de kinderen, is door de moeder aangevoerd dat zij een uitkering ontvangt op basis van de Participatiewet en zij daarom geen draagkracht heeft.
Het standpunt van de vader
3.5
Door en namens de vader is aangevoerd dat hij regelmatig contact met de moeder
in het belang acht van de kinderen. Onder regie van de GI kan toegewerkt worden naar een weekendregeling, eenmaal per twee weken. Wel is het belangrijk dat de kinderen kunnen blijven sporten en de moeder zich aan de afspraken houdt. De vader vraagt zich in dit kader af of de moeder de reiskosten van de kinderen wel kan betalen en maakt zich zorgen over de vraag of de moeder de weekendregeling wel kan nakomen.
Wat betreft de omgang tijdens vakanties kan eveneens onder regie van de GI bekeken worden wat haalbaar en wenselijk is voor de kinderen. Dat is nu nog moeilijk te bepalen.
3.6
De vader handhaaft zijn verzoek tot eenhoofdig gezag. Het is in het belang van
de kinderen dat de vader beslissingen over de kinderen alleen kan nemen. Er is geen goede communicatie met de moeder mogelijk. Daarbij heeft de moeder beslissingen over de kinderen gefrustreerd. Zo heeft zij geen toestemming gegeven voor een korte vakantie van [de minderjarige 1] naar [land] . Ook neemt de moeder vaak contact op met de school van [de minderjarige 1] , waardoor er veel ruis bij [de minderjarige 1] en de docenten ontstaat.
3.7
Ook handhaaft de vader zijn verzoek tot het vaststellen van een bijdrage in
de verzorging en opvoeding van de kinderen, voor de minimale bijdrage van 50 euro per maand voor alle kinderen met ingang van de datum van de beschikking. De vader draagt alle kosten voor de kinderen en acht het redelijk dat de moeder ook een minimale bijdrage levert.

4.De mening van de kinderen

4.1
[de minderjarige 1] wil graag contact met haar moeder en vindt het fijn om bij haar te overnachten, maar ze wil ook graag de vrijheid om te kunnen bepalen wanneer ze naar
haar moeder gaat. Soms is [de minderjarige 1] druk met andere dingen in haar leven, waaronder haar vrienden en sporten. In de zomervakantie zou [de minderjarige 1] het leuk vinden om bijvoorbeeld een week bij haar moeder door te brengen.
Over het ouderlijk gezag heeft [de minderjarige 1] geen duidelijke mening. Voor [de minderjarige 1] is het in ieder geval belangrijk dat haar ouders stoppen om over elkaar te praten in haar bijzijn. [de minderjarige 1] durft niet altijd alles aan haar ouders te vertellen, omdat zij dit dan tegen elkaar gaan gebruiken.
4.2
[de minderjarige 2] zou graag om het weekend bij zijn moeder slapen, het liefst twee nachten als dit te combineren valt met school en sport. In de zomervakantie wil [de minderjarige 2] een lang weekend bij zijn moeder doorbrengen. [de minderjarige 2] twijfelt of een week te lang is.
[de minderjarige 2] denkt verder dat het beter is als zijn vader alleen het gezag over hem heeft, omdat zijn vader alles voor hem regelt en de moeder soms laat reageert op e-mailberichten als er iets moet worden geregeld.
4.3
[de minderjarige 3] wil graag om het weekend twee nachten bij haar moeder slapen als dit mogelijk is met school en sporten. In de zomervakantie wil [de minderjarige 3] ook tijd met haar moeder doorbrengen, maar ze weet niet precies hoe lang.
Over het ouderlijk gezag heeft [de minderjarige 3] geen duidelijke mening.
5. Visie van de GI en de Raad
5.1
Namens de GI is naar voren gebracht dat het doel is om in het kader van
de ondertoezichtstelling stapsgewijs toe te werken naar een zorgregeling waarbij de
kinderen eenmaal per twee weken omgang hebben met de moeder, van vrijdag tot zondag.
Er is mede rondom de omgang nog te veel onduidelijkheid en de communicatie tussen de ouders verloopt moeizaam.
De GI is bereid om de regie te voeren in de opbouw naar een eventuele eindregeling, ook ten aanzien van omgang tussen de moeder en de kinderen in de vakanties.
5.2
Namens de Raad is geadviseerd om het gezamenlijk gezag in stand te laten, een eindbeslissing te nemen over de zorgregeling en de GI in dit kader de regie te geven in de opbouw naar een weekendregeling. Er is gedurende de ondertoezichtstelling nog nauwelijks gewerkt aan het verbeteren van de communicatie tussen de ouders, zoals door de Raad eerder is geadviseerd. De Raad acht het nog steeds van belang dat ouders hulpverlening aangaan om de communicatie te verbeteren.
Daarnaast is een structurele en bestendige zorgregeling in het belang van de kinderen. De kinderen moeten hierin op beide ouders kunnen vertrouwen. Positief is dat het contact tussen de moeder en de kinderen is hersteld, ondanks de problematiek tussen de ouders. Dit is een stap in de goede richting. Vanaf dit punt kan de omgang verder worden opgebouwd.

6.De beoordeling

6.1.
Ten aanzien van het gezag
6.1.1
Ingevolge artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) kan
op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag worden beëindigd, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
6.1.2
Niet in geschil is dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:253n, eerste lid, BW.
6.1.3
Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, van het BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, van het BW van overeenkomstige toepassing. Hierin is bepaald dat de rechter het gezamenlijk gezag kan beëindigen, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt of indien dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
6.1.4
Het wettelijke uitgangspunt is dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen
over hun kinderen. Hiervoor is het belangrijk dat de ouders op een constructieve manier
met elkaar kunnen communiceren.
Vaststaat dat er bij de ouders al langere tijd sprake is van communicatieproblematiek en onderling wantrouwen. Hierdoor hebben de ouders moeite met het nemen van gezamenlijke beslissingen over de kinderen. Dit leidt tot terugkerende discussiepunten in de verzorging
en opvoeding van de kinderen. Duidelijk is geworden dat de kinderen hier last van hebben.
Dat er sprake is van communicatieproblematiek tussen ouders betekent echter niet zonder meer dat het gezamenlijk gezag over de kinderen dient te worden beëindigd. De rechtbank
is in dit geval van oordeel dat niet voldaan is aan één van de onder 5.1.3 genoemde criteria en legt hieronder uit waarom.
6.1.5
De kinderen hebben weliswaar last van de spanningen tussen hun ouders, maar de situatie is naar het oordeel van de rechtbank niet dusdanig problematisch dat kan worden gesteld dat de kinderen bij voortzetting van het gezamenlijk gezag klem of verloren zullen raken tussen de ouders. Ondanks de bestaande problematiek is de situatie in de afgelopen maanden ook voorzichtig verbeterd. De kinderen hebben een periode geen contact gehad
met de moeder, maar dit contact is inmiddels hersteld. [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben aangegeven dat zij het contact met de moeder als prettig ervaren. Het is de bedoeling
dat de moeder in de komende periode een grotere rol krijgt in het leven van de kinderen
door de omgang verder uit te bouwen. Ondanks zijn zorgen, staat de vader hier ook achter.
6.1.6
Ook neemt de rechtbank mee dat in het kader van de ondertoezichtstelling nog nauwelijks is gewerkt aan het verbeteren van de communicatie, zoals ook door de Raad ter zitting is aangegeven. Pas sinds maart dit jaar is er een vaste jeugdbeschermer betrokken en sinds juni is er een tweede jeugdbeschermer aangesteld. De focus van jeugdbeschermers heeft in de afgelopen periode gelegen op het herstel van het contact tussen de moeder en de kinderen. In dit kader zijn door de GI afspraken gemaakt met de ouders. Het nakomen van deze afspraken verloopt weliswaar nog niet zoals gewenst, maar er zijn wel stappen in de goede richting gezet.
Voor het komende jaar is onder andere het doel om in het kader van de ondertoezichtstelling te komen tot een situatie waarin het de ouders lukt om samen rust, veiligheid en stabiliteit voor de kinderen te creëren en de ouders in dit kader op een zakelijke manier met elkaar communiceren. Solo Parallel Ouderschap kan hiervoor geschikt zijn, maar het is aan de GI om te bepalen wat het meest passende traject is.
6.1.7
Verder neemt de rechtbank bij de beoordeling mee dat de kinderen zich ondanks
de spanningen tussen hun ouders, positief ontwikkelen. De kinderen kwamen tijdens de kindgesprekken over als drie intelligente en spontane kinderen. Zij ervaren ondanks de spanningen tussen hun ouders, ook de ruimte voor beide ouders in hun leven. Daarnaast
doen de kinderen het goed op school, sporten zij actief en hebben zij een sociaal leven. Dat het goed gaat met de kinderen neemt niet weg dat het belangrijk is om hun ontwikkeling te blijven volgen en te bekijken wat zij al dan niet aan begeleiding nodig hebben, wat ook een doel is in het kader van de ondertoezichtstelling.
6.1.8
Er is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie waarin beëindiging van het gezamenlijk gezag anderszins in het belang is van de kinderen. Niet is gebleken dat de moeder structureel belangrijke gezagsbeslissingen over de kinderen heeft tegengewerkt.
Dat de moeder afgelopen zomervakantie geen toestemming heeft gegeven voor een korte vakantie van [de minderjarige 1] naar [land] – waarbij de toedracht voor de rechtbank bovendien onduidelijk is gebleven is onvoldoende om te concluderen dat eenhoofdig gezag in het belang zou zijn van de kinderen.
6.1.9
Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan één van de wettelijke criteria voor beëindiging van het gezamenlijk gezag. De rechtbank zal dit verzoek van de vader daarom afwijzen.
6.2.
Ten aanzien van de zorgregeling
6.2.1
Op grond van artikel 1:253a eerste lid BW kunnen in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of een van hen, aan
de rechtbank worden voorgelegd.
Op grond van het tweede lid onder a van voornoemd artikel kan de rechtbank op verzoek
van de ouders of een van hen een regeling vaststellen in de uitoefening van het gezamenlijk gezag, waaronder een zorgregeling.
De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
6.2.2
De rechtbank stelt vast dat de procedure over de zorgregeling al loopt sinds
mei 2023. Gebleken is dat er in het kader van de ondertoezichtstelling onder meer wordt gewerkt aan het uitbreiden van de omgang tussen de moeder en de kinderen, het maken
van afspraken hierover en het verbeteren van de communicatie tussen de ouders. Een lopende juridische procedure werkt hierin niet bevorderend. De rechtbank ziet daarom aanleiding om een eindbeslissing te nemen en hiermee deze procedure na bijna 2,5 jaar te beëindigen.
6.2.3
Het doel van de GI is om toe te werken naar een zorgregeling waarbij de moeder eenmaal per twee weken een weekend omgang heeft met de kinderen, van vrijdag tot en
met zondag. De rechtbank acht deze (vrij reguliere) zorgregeling in het belang van de kinderen, aangezien alle drie de kinderen hebben uitgesproken dat zij behoefte hebben aan meer contact met hun moeder. Volgens de vader laten de kinderen zorgelijke signalen zien die door de GI zouden worden genegeerd, maar voor de rechtbank is niet duidelijk geworden waar hij concreet op doelt, anders dan de hoofd- en buikpijnklachten van [de minderjarige 2] . Deze klachten lijken bovendien niet meer op de voorgrond te staan en kunnen niet zonder meer gelinkt worden aan de omgang met de moeder.
Vanuit de GI zijn er geen contra-indicaties voor uitbreiding van de omgang naar voren gekomen. De vader heeft op zichzelf geen bezwaar tegen een weekendregeling, maar
maakt zich wel zorgen over de vraag of de moeder in staat is om de zorgregeling na
te komen vanwege de reiskosten. De moeder heeft in dit kader ter zitting toegezegd dat zij
er alles aan zal doen om ervoor te zorgen dat zij de reiskosten kan voldoen en de zorgregeling zal nakomen. De rechtbank ziet geen reden om aan deze toezegging te twijfelen, temeer omdat zij de kinderen nu ook al haalt en brengt.
De rechtbank zal geen concrete aanvangs- en eindtijdstippen vastleggen vanwege
de verschillende sportschema’s van de kinderen. Het is belangrijk dat de kinderen kunnen blijven sporten, dit is ook hun wens. Hierop zal de weekendregeling in de praktijk dan ook moeten worden afgestemd.
Voor het halen en brengen zal de rechtbank aansluiten bij de huidige praktijk, waarbij
de moeder de kinderen haalt en brengt. Daarbij neemt de vader als hoofdverzorger al alle regelzaken op zich en daarom mag hierin van de moeder ook wat verwacht worden.
6.2.4
Het door de moeder verzochte doordeweekse contactmoment met de kinderen,
acht de rechtbank niet in het belang van de kinderen. De rechtbank begrijpt de wens van
de moeder om ook één op één contact te hebben met de kinderen, maar ziet hiervoor te
veel (praktische bezwaren). De kinderen hebben verschillende school- en sportroosters. Een vast doordeweeks contactmoment is hierdoor ingewikkeld en onrustig. Hier speelt ook de afstand tussen de woonplaatsen van de ouders een rol; de moeder woont in [plaats] en de vader met de kinderen in [plaats] . De kinderen gaan ook in [plaats] naar school. De rechtbank acht het
niet wenselijk om de kinderen te verplichten wekelijks doordeweeks na school heen weer te laten reizen tussen
de vader en de moeder. Daarbij twijfelt de rechtbank eraan of de moeder structureel in staat is om de (reis)kosten op te brengen die een vast doordeweeks contactmoment meebrengen, ook als zij naar [plaats] zou komen voor de omgang. Dit zou bovenop de reiskosten komen voor de weekendregeling. Bovendien zal de rechtbank in deze beschikking ook een bijdrage in de verzorging en opvoeding van de kinderen vaststellen, terwijl de moeder heeft aangevoerd dat zij daarvoor geen draagkracht heeft.
Het voorgaande betekent overigens niet dat de kinderen hun moeder doordeweeks nooit mogen zien. Het is aan de ouders om daar ruimte voor te maken als de kinderen hieraan behoefte hebben.
6.2.5
Wat betreft de vakanties hebben de kinderen aangegeven dat zij wat langer bij de moeder zouden willen zijn. De rechtbank acht een week bij de moeder in de zomervakantie passend en wenselijk. Voor de overige vakanties zal de rechtbank bepalen dat het weekend bij de moeder met twee dagen wordt verlengd, dan wel vóór het omgangsweekend dan wel daarna, afhankelijk van hoe de betreffende vakantie valt.
6.2.6
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de volgende zorgregeling vaststellen:
* onder regie van de GI zal in het kader van de ondertoezichtstelling worden toegewerkt naar een zorgregeling waarbij de moeder van vrijdag tot zondag na het eten onbegeleide omgang heeft met de kinderen, waarbij de moeder de kinderen haalt en brengt;
* onder regie van de GI zal worden toegewerkt naar een vakantieregeling waarbij de kinderen in de zomervakantie één week bij de moeder zijn en in de overige vakanties twee dagen voorafgaand aan dan wel aansluitend op de weekendregeling, waarbij de moeder de kinderen haalt en brengt.
5.2.7
Wat betreft [de minderjarige 1] overweegt de rechtbank nog het volgende. [de minderjarige 1] wordt in [maand] [jaar] zestien jaar. Dit is een leeftijd waarop kinderen in toenemende mate steeds meer hun eigen leven krijgen en hun prioriteiten verschuiven. Deze verschuiving vindt in de praktijk
al plaats bij [de minderjarige 1] .
De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige 1] dat zij vanaf haar zestiende jaar meer vrijheid krijgt in het contact met haar moeder, dit is ook haar wens. De rechtbank zal daarom bepalen dat de zorgregeling voor [de minderjarige 1] geldt tot haar 16e verjaardag en er daarna geen formele zorgregeling meer geldt.
6.3.
Bijdrage in de verzorging en opvoeding van de kinderen
6.3.1
Vasstaat dat de vader als hoofdverzorger alle kosten van de kinderen draagt. De moeder wordt volgens de Alimentatierichtlijnen 2025 geacht een minimale draagkracht van 50 euro voor alle kinderen samen te hebben bij het ontvangen van een uitkering op grond van de Participatiewet. Dit bedrag zal de rechtbank dan ook vaststellen als bijdrage in de verzorging en opvoeding van de kinderen, met ingang van heden. De rechtbank verwerpt de stelling van de advocaat dat de moeder geen draagkracht heeft omdat zij maandelijks € 64,24 aflost op een niet vermijdbare schuld. Uit de door de advocaat op 21 oktober 2024 ingediende stukken blijkt dat er in oktober 2024 een restschuld openstond van € 578,07. Aangenomen moet worden dat de moeder de schuld inmiddels volledig heeft afgelost.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
stelt ten aanzien van de minderjarigen:
-
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [plaats]
-
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
-
[de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] , te [plaats] ,
de verdeling van de zorg- en opvoedtaken als volgt vast:
* onder regie van de GI wordt in het kader van de ondertoezichtstelling toegewerkt naar een zorgregeling waarbij de moeder van vrijdag tot zondag na het eten onbegeleide omgang heeft met de kinderen, waarbij de moeder de kinderen haalt en brengt;
* onder regie van de GI wordt toegewerkt naar een vakantieregeling waarbij de kinderen in de zomervakantie één week bij de moeder zijn en in de overige vakanties twee dagen voorafgaand aan dan wel aansluitend op de weekendregeling, waarbij de moeder de kinderen haalt en brengt;
7.2.
stelt de door de moeder aan de vader te betalen bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen vast op € 50,00 per maand,
telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van heden;
7.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.P. van der Haak, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van S. Rebel als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.