Eiser voerde in zijn aangifte inkomstenbelasting 2019 scholingsuitgaven van €40.477 voor een vwo-opleiding op als aftrekpost. De Belastingdienst weigerde deze aftrek omdat een vwo-opleiding in beginsel te ver verwijderd staat van het verwerven van inkomen. Eiser stelde dat de opleiding noodzakelijk was voor zijn studie aardwetenschappen en toekomstige beroepsuitoefening als paleontoloog.
De rechtbank oordeelde dat de kosten voor de vwo-opleiding inderdaad in een te ver verwijderd verband staan met het verwerven van inkomen, waarmee de situatie verschilt van het arrest van de Hoge Raad uit 1980 waarop eiser zich beroept. De rechtbank stelde vast dat na de vwo-opleiding nog een bachelor, master en promotieonderzoek nodig zijn om het beoogde beroep uit te oefenen, waardoor het verband met inkomen niet direct is.
Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel slaagden niet. De rechtbank vond geen concrete toezeggingen die rechtvaardigen dat eiser op aftrek mocht vertrouwen en oordeelde dat de Belastingdienst zorgvuldig heeft gehandeld. Omdat de aftrek in 2019 terecht is geweigerd, bestaat er in 2020 geen recht op een restant persoonsgebonden aftrek. De beroepen tegen de aanslagen inkomstenbelasting 2019 en 2020 werden ongegrond verklaard.