ECLI:NL:RBNHO:2025:12286

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
11854551
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:626 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming vaststellingsovereenkomst en betaling achterstallig loon en vergoedingen

De eiser trad op 1 mei 2025 in dienst bij de gedaagde als jeugdzorgmedewerker. Partijen sloten op 31 juli 2025 een vaststellingsovereenkomst waarbij de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2025 werd beëindigd met afspraken over loon, beëindigingsvergoeding, juridische kosten en betalingstermijnen.

De eiser vorderde in kort geding nakoming van de vaststellingsovereenkomst omdat de gedaagde het bruto loon over juli, augustus en september 2025 niet tijdig had betaald, evenals de beëindigingsvergoeding en vergoeding van juridische kosten. De gedaagde erkende alleen het netto loon verschuldigd te zijn.

De kantonrechter oordeelde dat de gedaagde tekortschiet in de nakoming en veroordeelde hem tot betaling van het achterstallige bruto loon met wettelijke rente, de beëindigingsvergoeding, juridische kosten en tot het verstrekken van bruto/netto specificaties en een eindafrekening. Tevens werd een dwangsom opgelegd voor het niet tijdig verstrekken van de specificaties en eindafrekening. De proceskosten werden aan de gedaagde opgelegd.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, beëindigingsvergoeding, juridische kosten, verstrekking van loon- en eindafrekeningen en proceskosten met wettelijke rente en dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11854551 \ VV EXPL 25-121
Vonnis in kort geding van 16 oktober 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. C.A.M.H. Vink,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam
[bedrijf],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de e-mail van [gedaagde] van 9 oktober 2025;
- de mondelinge behandeling van 9 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.Feiten

2.1.
[eiser] is op 1 mei 2025 in dienst getreden bij [bedrijf] als jeugdzorgmedewerker.
2.2.
Op 31 juli 2025 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 oktober 2025 is beëindigd. In de vaststellingsovereenkomst zijn partijen (onder meer) het volgende overeengekomen:
“(…)
4. Werknemer behoudt tot de beëindigingsdatum aanspraak op salaris inclusief vakantietoeslag en overige emolumenten, tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald. Gedurende de vrijstelling van werkzaamheden kan werknemer geen aanspraak maken op een reis- of onkostenvergoeding.Vergoeding
5. Werknemer maakt aanspraak op een beëindigingvergoeding, zijnde de hoogte van de transitievergoeding ad € 279,20 bruto;
6. Werknemer maakt aanspraak op het nog achterstallige loon, dat binnen 5 dagen na ondertekening uitbetaald dient te worden, zoals overeengekomen, zijnde een bedrag ad€ 4.000,00, bestaande uit € 2.648,84 bruto en € 1.351,16 netto.
7. Werknemer maakt aanspraak op een vergoeding van de juridische onkosten die hij heeft moeten inwinnen voor advies, zijnde een afgesproken bedrag ad € 700,00 excl. BTW. Werkgever zal voornoemde bedrag uitkeren aan werknemer.
8. Partijen spreken af dat de beëindigingsvergoeding en juridische kosten uiterlijk binnen 1 maand na de beëindigingsdatum zal worden betaald op de bankrekening van werknemer. Werkgever zal het achterstallige loon inclusief kosten binnen vijf dagen na ondertekening voldoen. Werkgever zal eveneens een eindafrekening met het vakantiegeld binnen 1 maand na beëindigingsdatum aan werknemer moeten verstrekken.
(…)
Betalingswijze13. Werkgever zal uiterlijk binnen 1 maand na de beëindigingsdatum aan werknemer de genoemde bedragen betalen op de bankrekening van werknemer. De toekomstige loonbetalingen zullen als gebruikelijk aan het einde van iedere maand plaatsvinden, de achterstallige bedragen, zoals voornoemd, zullen binnen vijf dagen na ondertekening worden overgemaakt.”
2.3.
Op 7 en 12 augustus 2025 heeft (de gemachtigde van) [eiser] [gedaagde] aangeschreven om conform de vaststellingsovereenkomst een bedrag van € 4.000,00 (bestaande uit € 2.648,84 bruto en € 1.351,16 netto) te voldoen.
2.4.
Op 13 augustus 2025 heeft [gedaagde] geantwoord dat het netto bedrag inmiddels is voldaan, en dat het brutobedrag zal volgen zodra daarvoor financiële ruimte bestaat.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vindt dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst door ten onrechte niet uit te keren wat daarin is afgesproken. [eiser] wil daarom dat [gedaagde] veroordeeld wordt tot betaling van het achterstallig loon (vermeerderd met de wettelijke rente) en de nog te vervallen toekomstige betalingen, telkens te voldoen op de eerste dag van de maand waarop de betalingen verschuldigd zullen zijn. Voor zover de toekomstige betalingen te laat worden gedaan, vordert [eiser] ook daarover de wettelijke rente. Daarnaast wil [eiser] dat [gedaagde] veroordeeld wordt om bruto-netto specificaties van de loonbetalingen en de eindafrekening aan haar te verstrekken, op verbeurte van een dwangsom. Dit alles met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] erkent dat [eiser] recht heeft op haar nettoloon over de gevorderde maanden, maar betwist de vordering voor zover deze ziet op het brutoloon.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, nu het hier gaat om een loonvordering en deze naar zijn aard spoedeisend is.
4.2.
Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
4.3.
Partijen hebben ter beëindiging van het dienstverband een vaststellingsovereenkomst gesloten. Op basis van die vaststellingsovereenkomst is [gedaagde] gehouden om diverse uitkeringen aan [eiser] te voldoen. Als onbetwist staat vast dat [gedaagde] de op grond van de vaststellingsovereenkomst te betalen bedragen niet tijdig heeft voldaan (met uitzondering van de netto-uitkering van € 1.351,16) en dat hij de overeenkomst dus niet volledig nakomt. Dat heeft de hierna te noemen consequenties.
Het (achterstallig) loon tot het einde van de arbeidsovereenkomst
4.4.
Partijen hebben afgesproken dat [eiser] recht heeft op loon tot het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 oktober 2025. [1] [gedaagde] zou het loon over juli 2025 uiterlijk op
6 augustus 2025 aan [eiser] betalen [2] , en de overige loonbetalingen zouden zoals gebruikelijk uiterlijk op de laatste dag van iedere maand plaatsvinden. [3] Omdat [gedaagde] het loon over juli, augustus en september 2025 tot op heden niet heeft voldaan, wordt de loonvordering van [eiser] toegewezen. Daarnaast is [gedaagde] vanaf de (respectievelijke) dag van opeisbaarheid ook de (vervallen) wettelijke rente verschuldigd. Daaronder valt ook de in de dagvaarding gespecificeerde € 8,52, die anders dan ter zitting met [eiser] is besproken betrekking heeft op het salaris over de maand juli 2025.
De beëindigingsvergoeding en de vergoeding voor juridische kosten
4.5.
Ook hebben partijen afgesproken dat [eiser] recht heeft op een beëindigingsvergoeding ter hoogte van de transitievergoeding (€ 279,20 bruto) [4] en op een vergoeding voor juridische kosten (€ 700,00 exclusief btw) [5] . Deze vergoedingen moeten volgens de vaststellingsovereenkomst uiterlijk op 1 november 2025 door [gedaagde] worden betaald. [6] Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is in de gegeven omstandigheden voldoende aannemelijk dat deze vergoedingen niet zonder meer zullen worden uitbetaald, zodat [gedaagde] daartoe wordt veroordeeld. Voor zover deze betalingen niet tijdig worden verricht, is [gedaagde] vanaf 1 november 2025 ook de wettelijke rente daarover verschuldigd.
Loonspecificaties en eindafrekening
4.6.
Ten aanzien van het verweer van [gedaagde] dat hij slechts het nettoloon verschuldigd zou zijn, overweegt de kantonrechter dat [gedaagde] als werkgever verplicht is de gebruikelijke looninhoudingen toe te passen. Na deze inhoudingen moet [gedaagde] het resterende nettobedrag aan [eiser] uitbetalen. [gedaagde] moet daarvan ook deugdelijke bruto/netto specificaties aan [eiser] verstrekken. [7] Verder moet [gedaagde] uiterlijk één maand na het einde van de arbeidsovereenkomst (dus uiterlijk op 1 november 2025) een bruto/netto eindafrekening met vakantiegeld aan [eiser] verstrekken. [8] [gedaagde] zal daartoe ook worden veroordeeld, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gesteld op € 100,00 per dag omdat een dergelijke dwangsom in deze situatie een voldoende prikkel tot nakoming is. Aan de gevorderde dwangsom zal een maximum worden verbonden van € 2.500,00.
Proceskosten
4.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.158,40
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 2.657,36 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.648,84 bruto vanaf 22 augustus 2025 tot de dag van de gehele betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 2.648,84 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 september 2025 tot de dag van de gehele betaling;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 2.648,84 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 oktober 2025 tot de dag van de gehele betaling;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 279,20 bruto, uiterlijk op
1 november 2025, en vanaf die datum te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van de gehele betaling;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 700,00 exclusief btw, uiterlijk op
1 november 2025, en vanaf die datum te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van de gehele betaling;
5.6.
veroordeelt [gedaagde] tot verstrekking van deugdelijke specificaties van het loon over de maanden juli, augustus en september 2025 binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, en tot verstrekking van de eindafrekening op uiterlijk 1 november 2025, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 2.500,00;
5.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.158,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.8.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst.
2.Artikel 6 van Pro de vaststellingsovereenkomst.
3.Artikel 13 van Pro de vaststellingsovereenkomst.
4.Artikel 5 van Pro de vaststellingsovereenkomst.
5.Artikel 7 van Pro de vaststellingsovereenkomst.
6.Artikel 8 van Pro de vaststellingsovereenkomst.
7.Artikel 7:626 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
8.Artikel 8 van Pro de vaststellingsovereenkomst.