Uitspraak
1.V.O.F. [verweerder 1],2. [verweerder 2],3. [verweerder 3],
gemachtigde: mr. M. Briedé.
1.De procedure
- de aanvullende stukken van [verweerders] van 16 september 2025;
- de pleitnota van [verzoeker];
- de pleitnota van [verweerders].
Rechtbank Noord-Holland
De werknemer was sinds oktober 2020 werkzaam als afwasser bij de werkgever met een arbeidsomvang van tien uur per maand. Op 2 mei 2025 meldde de werknemer zich ziek, waarna een leidinggevende hem via een bericht liet weten dat hij niet meer hoefde te komen vanwege eerdere last-minute afzeggingen. De kantonrechter oordeelde dat dit bericht een opzegging van de arbeidsovereenkomst inhield, ondanks dat de leidinggevende formeel niet bevoegd was, omdat de werknemer redelijkerwijs mocht aannemen dat deze wel bevoegd was.
De werkgever had geen redelijke grond voor ontbinding en hield zich niet aan de opzegtermijn, waardoor sprake was van onregelmatige opzegging. De werknemer vorderde betaling van achterstallig salaris, een billijke vergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging en transitievergoeding. De kantonrechter wees deze vorderingen toe, waarbij de billijke vergoeding werd vastgesteld op €500 bruto, de vergoeding wegens onregelmatige opzegging op €304,62 bruto minus het betaalde ziekengeld, en de transitievergoeding op €253,48 bruto.
Daarnaast werd de werkgever veroordeeld tot betaling van achterstallig salaris over december 2024 en april 2025, omdat onvoldoende was onderbouwd dat de werknemer in april niet had gewerkt. De proceskosten werden aan de werkgever opgelegd vanwege het ernstig verwijtbaar handelen. Het voorwaardelijke tegenverzoek tot ontbinding werd afgewezen omdat de arbeidsovereenkomst reeds was geëindigd.
Uitkomst: Werkgever is veroordeeld tot betaling van billijke vergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging, transitievergoeding en achterstallig salaris wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst.