ECLI:NL:RBNHO:2025:12281

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
11722694
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 46 RvArt. 47 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding koopovereenkomst wegens niet-nakoming leveringsverplichting kartonderdelen

Partijen sloten op 31 juli 2019 een koopovereenkomst voor kartonderdelen. De koper vordert betaling wegens niet-nakoming van de leveringsverplichting door de verkoper. De verkoper betwist de vordering en voert onder meer aan dat de Nederlandse rechter onbevoegd is en dat de vordering verjaard is.

De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse rechter wel bevoegd is omdat het een consumentenovereenkomst betreft en de koper in Nederland woont. De dagvaarding is rechtsgeldig betekend. De verjaring is gestuit door meerdere aanmaningen van de koper.

De verkoper is niet geslaagd in de bewijslast dat de koper de bestelde onderdelen heeft ontvangen. De rechtbank concludeert dat de verkoper tekort is geschoten in zijn leveringsverplichting en dat de koper de koopovereenkomst terecht gedeeltelijk heeft ontbonden. De verkoper wordt veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

Uitkomst: De verkoper is veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten wegens tekortkoming in levering.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11722694 \ CV EXPL 25-3350
Vonnis van 22 oktober 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. C. van Aken,
tegen
[gedaagde]handelend onder de naam
[bedrijf],
te [plaats 2] (Duitsland),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- het mondeling antwoord van 28 mei 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Feiten

2.1.
Partijen hebben op 31 juli 2019 een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot een aantal kartonderdelen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 298,85, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] in gebreke is gebleven met de levering van de onderdelen en het gereedschap voor de X30 koppeling. Bij e-mail 17 juni 2020 heeft [eiser] de koopovereenkomst daarom (gedeeltelijk) ontbonden en om restitutie verzocht. [gedaagde] heeft niet uitbetaald.
3.3.
[gedaagde] betwist de vordering. Op zijn verweer wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Rechtsmacht
4.1.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om van de zaak kennis te nemen, omdat hij als gedaagde partij in Duitsland woont.
4.2.
De kantonrechter overweegt ten aanzien van de rechtsmacht als volgt. Het uitgangspunt is dat de rechter van de woon-/vestigingsplaats van de gedaagde partij bevoegd is. [1] In dit geval is echter sprake van een consumentenovereenkomst, zodat een bijzondere bevoegdheidsverdelingsregel geldt. In de wet is bepaald dat een consument zijn vordering op de wederpartij uit een consumentenovereenkomst ook kan instellen voor het gerecht van de plaats waar de consument woonplaats heeft. [2] De kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland acht zich op die grond bevoegd om van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen.
Aanvullend antwoord niet ondertekend
4.3.
[gedaagde] is naar aanleiding van de rolzitting van 28 mei 2025 in de gelegenheid gesteld om zijn mondeling antwoord schriftelijk aan te vullen. Bij rolbeslissing van 11 juni 2025 heeft de kantongriffie vastgesteld dat [gedaagde] zijn aanvullend antwoord niet heeft ondertekend en is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld dit te herstellen en (alsnog) een getekend exemplaar van zijn conclusie in het geding te brengen. [gedaagde] heeft echter geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid. Dit leidt ertoe dat op de inhoud van het
aanvullendeantwoord geen acht geslagen zal worden.
Betekening van de dagvaarding
4.4.
Tussen partijen is (onder meer) in geschil of de dagvaarding op juiste wijze betekend is. Daarover wordt als volgt overwogen.
4.5.
Op grond van artikel 47 Rv Pro dient de deurwaarder, indien deze de dagvaarding niet (kort gezegd) in persoon kan betekenen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 46 Rv Pro een afschrift achter te laten aan de woonplaats in een gesloten envelop. Uit artikel 1:10 lid 2 BW Pro volgt dat een rechtspersoon zijn woonplaats heeft waar hij volgens wettelijk voorschrift of volgens zijn statuten of reglementen zijn zetel heeft. Vaststaat dat de dagvaarding van [eiser] in een gesloten envelop betekend is aan het vestigingsadres van [bedrijf] in [plaats 3]. Daarbij is voldaan aan de vereisten van artikel 47 Rv Pro. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend.
Verjaring
4.6.
[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat [eiser] deze kwestie ‘zes jaar lang’ voor zich uit heeft geschoven. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] daarmee een beroep doet op verjaring.
4.7.
Een vordering als de onderhavige verjaart in beginsel na vijf jaar. De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. [eiser] heeft als productie 2 bij dagvaarding aanmaningen van 12 oktober 2021, 1 september 2023 en 11 maart 2024 overgelegd. Daarmee heeft [eiser] de verjaring gestuit. Het beroep van [gedaagde] op verjaring slaagt daarom niet.
Levering van de bestelling
4.8.
Tussen partijen is in geschil of [eiser] de (gehele) bestelling heeft ontvangen. Op grond van artikel 7:11 BW Pro gaat bij bezorging van zaken het risico op de consument over op het moment dat de consument de zaak heeft ontvangen. Met ‘ontvangen’ wordt bedoeld dat de consument daadwerkelijk de zaak in handen heeft gekregen. De verkoper is dus verantwoordelijk voor het pakket tot de feitelijke aflevering aan de consument. Op [gedaagde] rust daarom de bewijslast dat [eiser] de bestelling heeft ontvangen. De enkele stelling van [gedaagde] dat zij ‘zesduizend bestellingen per jaar verwerkt en altijd levert’ is daartoe onvoldoende. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] niet in zijn bewijslast is geslaagd en dat niet is gebleken dat [eiser] de betwiste onderdelen heeft ontvangen.
Conclusie en kosten
4.9.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn leveringsverplichting en dat [eiser] de koopovereenkomst terecht (gedeeltelijk) heeft ontbonden. De kantonrechter zal de vordering van [eiser] daarom toewijzen. De wettelijke rente over de hoofdsom is toewijsbaar vanaf 20 juni 2020 (zijnde de vervaldatum van de eerste overgelegde aanmaning).
4.10.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 54,24 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
4.11.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
82,00
(1 punt × € 82,00)
- nakosten
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
361,04
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 298,85, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 juni 2020, tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 54,24 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 361,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Artikel 4 Verordening Pro Brussel I-bis.
2.Artikel 18 Verordening Pro Brussel I-bis.