ECLI:NL:RBNHO:2025:12003

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
20 oktober 2025
Zaaknummer
C/15/349997 / FA RK 24-1156
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van gezamenlijk gezag over een minderjarige na gewijzigde omstandigheden en verstoorde communicatie tussen ouders

Op 20 oktober 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, een beschikking gegeven in een zaak betreffende de beëindiging van gezamenlijk gezag over een minderjarige. De moeder, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. J. 't Hart, verzocht de rechtbank om het gezamenlijk gezag te beëindigen en alleen het gezag over de minderjarige uit te oefenen. De vader, die niet aanwezig was op de zitting, had geen verweerschrift ingediend. De rechtbank constateerde dat er sprake was van een verstoorde verstandhouding tussen de ouders, waarbij de vader herhaaldelijk bedreigende berichten naar de moeder had gestuurd. De rechtbank oordeelde dat de vader niet in staat was om zijn verantwoordelijkheden ten opzichte van de minderjarige te nemen, en dat er een onaanvaardbaar risico bestond dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders. De rechtbank concludeerde dat het in het belang van de minderjarige noodzakelijk was dat de moeder alleen het gezag uitoefent. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en de ouders kregen de mogelijkheid om binnen drie maanden hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof te Amsterdam.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
beëindiging gezamenlijk gezag
zaaknummer: C/15/349997 / FA RK 24-1156
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 20 oktober 2025
in de zaak van:
[de moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna: de moeder,
advocaat mr. J. 't Hart, kantoorhoudende te Haarlem,
tegen
[de vader],
wonende te [plaats] ,
hierna: de vader.
betreffende
de minderjarige [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] te [plaats] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de moeder, ingekomen op 5 maart 2024;
- het bericht van de zijde van de moeder van 16 juni 2025;
- het bericht van de zijde van de moeder van 26 augustus 2025.
1.2
De vader heeft bij de rechtbank binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.
1.3
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 september 2025. Ter zitting waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
Tevens was ter zitting als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).
De vader was, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig ter zitting.
De moeder heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

2.De feiten

2.1
De ouders hebben een affectieve relatie gehad.
2.2
Deze zaak heeft betrekking op het volgende minderjarige kind van de ouders: [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
2.3
[de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.
2.4
Na het uiteengaan van de ouders heeft er een periode geen contact plaatsgevonden tussen de vader en [de minderjarige] . Bij beschikking van 16 mei 2018 heeft deze rechtbank een zorgregeling vastgesteld tussen de vader en [de minderjarige] , waarin een opbouwregeling is vastgelegd. Na de beschikking heeft er een lange periode begeleide omgang plaatsgevonden tussen de vader en [de minderjarige] .
2.5
Sinds het voorjaar van 2023 heeft er geen contact meer plaatsgevonden tussen de vader en [de minderjarige] .

3.Het verzoek

3.1
De moeder verzoekt het gezamenlijk gezag te beëindigen en te bepalen dat zij het gezag over de kinderen alleen uitoefent.
3.2
Als onderbouwing van haar verzoek stelt de moeder dat zij herhaaldelijk beschuldigende en dreigende e-mailberichten van de vader ontvangt. De vader lijkt zich bewust terug te trekken en geeft aan dat hij niets meer te maken wil hebben met [de minderjarige] of de moeder. Hierdoor kan niet van de moeder verwacht worden dat zij contact opneemt met de vader om beslissingen te nemen over [de minderjarige] . Bovendien lijkt de vader niet in staat te zijn om zijn verantwoordelijkheid naar [de minderjarige] te kunnen nemen en lijkt ook niet in te zien wat zij nodig heeft. Gelet op de ervaringen van de moeder is niet te verwachten dat de ouders in staat zijn gezamenlijke beslissingen te kunnen nemen. Dit maakt dat er een aanzienlijke en aannemelijke kans bestaat dat [de minderjarige] klem en verloren zal raken tussen de ouders. Ter zitting heeft de moeder hieraan toegevoegd dat de vader niet stabiel overkomt en geen zicht lijkt te hebben op hetgeen [de minderjarige] nodig heeft. Ook is door de andere visie van de vader sprake van een beperking om tot gezamenlijke gezagsbeslissingen te komen.
3.3
De vader heeft geen verweer gevoerd.

4.De beoordeling

Het wettelijk kader
4.1
Uit artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond van waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Het advies van de raad
4.2
De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat de vader onvoldoende in staat lijkt om gezagsbeslissingen te nemen over [de minderjarige] . Daarbij komt dat de vader niet weet wat belangrijk is voor [de minderjarige] omdat hij al langere tijd niet betrokken is in haar leven. Gezien de voorgeschiedenis van de ouders kan niet van de moeder gevraagd worden dat zij de vader betrekt bij het nemen van gezagsbeslissingen en het informeren en consulteren van de vader.
De beoordeling door de rechtbank
4.3
Tussen de ouders is niet in geschil dat sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:253n BW.
4.4
De rechtbank dient te beoordelen of het gezamenlijk gezag van de ouders moet worden beëindigd, zoals verzocht door de moeder. De rechtbank vindt het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat de moeder alleen het gezag over haar uitoefent. Hiervoor heeft de rechtbank de volgende redenen.
4.5
De rechtbank stelt voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is van de wetgever. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening waarbij zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat sprake is van een verstoorde verstandhouding tussen de ouders. De afgelopen jaren heeft de vader vele zorgwekkende berichten aan de moeder toegestuurd. De vader heeft in deze berichten meerdere malen bedreigingen geuit richting de moeder. Ook blijkt uit deze berichten dat de vader af en toe op voorhand heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan bepaalde gezagsbeslissingen. De rechtbank constateert dat de ouders de afgelopen jaren vanwege hun verstoorde verhouding en de dreigende houding van de vader richting de moeder onvoldoende in staat zijn geweest om in gezamenlijk overleg te treden om gezagsbeslissingen te nemen over [de minderjarige] . Daarbij komt dat er al een aantal jaren geen contact heeft plaatsgevonden tussen de vader en [de minderjarige] . Naar aanleiding van de vele zorgwekkende berichten heeft deze rechtbank bij vonnis van 3 november 2023, op verzoek van de moeder, een gebied- en locatieverbod en een contactverbod opgelegd aan de vader inhoudende dat de vader geen direct of indirect contact mag hebben met de moeder en/of [de minderjarige] . Na het vonnis heeft de vader nog enkele berichten gestuurd waarin hij aangaf dat hij niets meer met de moeder en [de minderjarige] te maken wilde hebben. Sindsdien heeft geen contact meer plaatsgevonden tussen de vader en [de minderjarige] . Vanwege dit gebrek aan contact beschikt de vader op dit moment niet tot nauwelijks over informatie over [de minderjarige] . Dit gebrek aan informatie brengt met zich mee dat de vader onvoldoende zicht heeft op hetgeen [de minderjarige] nodig heeft. Hierdoor bestaat de verwachting dat de vader onvoldoende in staat zal zijn om gedegen gezagsbeslissingen over [de minderjarige] te kunnen nemen.
4.6
De rechtbank leidt hieruit de verwachting af dat gezamenlijk gezag ertoe zal leiden dat keer op keer geen (tijdige) gezagsbeslissingen kunnen worden genomen. Het zal voor de ouders moeizaam of zelfs onmogelijk zijn om invulling te geven aan het gezamenlijk gezag. Gelet op de verstoorde verstandhouding tussen de ouders en het gebrek aan informatie over [de minderjarige] aan de zijde van de vader, is de rechtbank van oordeel dat voortduring van het gezamenlijk gezag niet in het belang van [de minderjarige] is. De moeder moet als hoofdopvoeder van [de minderjarige] in staat zijn om zonder vertraging gezagsbeslissingen te kunnen nemen. Hierdoor kan voor [de minderjarige] de voor haar nodige rust ontstaan. Het is dan ook in het belang van [de minderjarige] dat de moeder het gezag over haar alleen uitoefent. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder dan ook toe.
4.7
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
beëindigt met ingang van heden het gezamenlijk gezag van de ouders over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , en bepaalt dat de moeder voortaan het gezag over [de minderjarige] alleen uitoefent;
5.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van M. Hermans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.