Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
De korpschef van politie, de politiechef van de eenheid Amsterdam, korpschef
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Het standpunt van partijen over de beleidsregel
Subsidiair voert eiser nog aan dat de korpschef had moeten afwijken van de beleidsregel op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; de bijzondere omstandigheden maken volgens eiser dat de toepassing van de beleidsregel voor hem onevenredig is en daarom noopt tot afwijking daarvan.
“(…) Voor de aspirant die de basispolitieopleiding succesvol afrondt in de voor de lichting waartoe de aspirant behoort vastgestelde, afsluitende examenperiode, geldt dat aanstelling in de beoogde functie en de daarbij behorende inschaling ingaat met ingang van de dag volgend op de laatste dag van die examenperiode. (…)”.
Eveneens is van belang: artikel 3, lid 3 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), waarin, voor zover relevant, is bepaald “(…) Na het voltooien van een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen driejarige of kortere opleiding, wordt de aspirant aangesteld in vaste dienst als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak tenzij het bevoegd gezag anders beslist.(…)”.
Dat maakt volgens eiser dat de wijziging ook niet noodzakelijk is, want die leidt enkel tot een verschuiving van een probleem naar een andere groep. Daarvoor is geen rechtvaardiging gegeven, aldus eiser. Indien het doel is om alles per lichting gelijk te trekken zou volgens eiser voor de gehele lichting gekozen moeten worden voor de eerste dag van de kalendermaand die valt binnen de afsluitende examenperiode.