ECLI:NL:RBNHO:2025:11773

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
C/15/349657 / FA RK 24-984
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om gezamenlijk gezag en omgangsregeling tussen ouders van minderjarige

In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Holland op 14 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om gezamenlijk gezag en een omgangsregeling tussen de ouders van een minderjarige. De vader, vertegenwoordigd door mr. L. van Halderen, heeft verzocht om een omgangsregeling waarbij de minderjarige om de week van vrijdag uit school tot maandagochtend bij hem verblijft, en elke woensdag vanaf 16.00 uur tot donderdagochtend. De moeder, vertegenwoordigd door mr. S.A. Merhottein, heeft verweer gevoerd en een alternatieve regeling voorgesteld. De ouders hebben een verleden van een affectieve relatie en hebben een minderjarige dochter, die bij de moeder woont. De rechtbank heeft vastgesteld dat de ouders in staat zijn om gezamenlijk belangrijke beslissingen over hun dochter te nemen, ondanks hun onderlinge communicatieproblemen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft ook geadviseerd dat er geen belemmeringen zijn voor gezamenlijk gezag. De rechtbank heeft uiteindelijk besloten dat de ouders gezamenlijk met het gezag over de minderjarige worden belast en heeft de omgangsregeling zoals door partijen voorgesteld vastgesteld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
omgang | gezag
zaak-/rekestnr.: C/15/349657 / FA RK 24-984
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 14 oktober 2025
in de zaak van:
[de vader],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. L. van Halderen, kantoorhoudende te Heerhugowaard,
tegen
[de moeder],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. S.A. Merhottein, kantoorhoudende te Beverwijk.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek, met bijlagen, van de vader, ontvangen op 28 februari 2024;
- het F-formulier, van de advocaat van de vader van 31 maart 2025;
- het verweer, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de moeder, ontvangen op 24 september 2025;
- het aanvullend verzoekschrift van de vader van 25 september 2025;
- het aanvullend verweerschrift, met bijlage, van de moeder van 29 september 2025.
1.2.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 september 2025 in aanwezigheid van partijen, de vader bijgestaan door mr. L. van Halderen en de moeder door mr. S.A. Merhottein. Daarnaast was ter zitting als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ;
De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder heeft van rechtswege het gezag over [de minderjarige] . De hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] is bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De vader heeft - na wijzigingsverzoek - verzocht te bepalen dat een omgangsregeling wordt vastgesteld waarbij [de minderjarige] eens per twee weken van vrijdag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de vader verblijft alsook iedere woensdag vanaf 16.00 uur tot donderdagochtend naar school. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft de vader - kort samengevat - het volgende naar voren gebracht. Partijen hebben ten tijde van het uiteengaan geen ouderschapsplan opgesteld, maar in de praktijk verbleef [de minderjarige] eens per twee weken bij de vader, van vrijdag tot en met zondagavond. Het is veelvuldig voorgekomen dat de moeder deze regeling op het laatste moment om onbekende redenen afzegde of dat de vader plots voor een dichte deur kwam te staan. De vader is als het ware afhankelijk van de medewerking van de moeder. Dit geldt ook ten aanzien van de verdeling van de vakanties en feestdagen. De vader wil [de minderjarige] graag volgens een vast schema zien om teleurstellingen te voorkomen. Er moet regelmaat zijn en continuïteit. De vader acht het in het belang van [de minderjarige] dat zij een band opbouwt met allebei haar ouders.
3.2.
Ten aanzien van de vakanties en feestdagen heeft de vader verzocht de volgende verdeling vast te stellen:
3.3.
De vader heeft ook verzocht te bepalen dat hij mede zal worden belast met het gezag over [de minderjarige] . De vader stelt zich op het standpunt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat gezamenlijk gezag van de ouders in het belang van het kind is. Op grond van art. 1:253c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een verzoek als dit slechts afgewezen indien een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en het
niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Naar de mening van de vader is er geen onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige] klem of verloren zal raken indien hij wordt belast met het ouderlijk gezag. Evenmin is sprake van een situatie waarbij afwijzing anderszins in het belang van [de minderjarige] is. De vader is van mening dat, indien duidelijkheid komt over de omgangsregeling, dit ten goede zal komen aan de onderlinge verhoudingen van de ouders. De vader ziet niet in waarom partijen geen gezamenlijk gezag zouden kunnen hebben. Hij wil graag meedenken en meebeslissen wanneer het gaat om belangrijke zaken over de minderjarige. Bepaalde beslissingen zullen immers ook van invloed zijn op de wijze waarop [de minderjarige] gevormd wordt. De vader wil hierin betrokken worden. Daarvoor is wat hem betreft gezamenlijk gezag onontbeerlijk. Volgens de vader kunnen de ouders gezamenlijk beslissingen maken over de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op een wijze die niet belastend voor haar zal zijn. Mocht de moeder hier een andere kijk op hebben dan staat de vader open voor een traject als Ouderschap Blijft.

4.Verweer en zelfstandig verzoek

4.1.
De moeder heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft - na wijziging - verzocht een omgangsregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] :
• een weekend in de twee weken bij de vader verblijft van vrijdagmiddag uit school uur tot maandagochtend naar school waarbij niet oma (vz) [de minderjarige] mag ophalen van school;
• een maal in de twee weken een woensdagmiddag van 16.00 uur tot 19.00 uur bij de vader verblijft;
• een vakantieregeling geldt zoals omschreven onder randnummer 16 van het verweerschrift;
• een regeling voor feestdagen en bijzondere dagen wordt voorgesteld zoals omschreven in het overzicht onder randnummer 11 van het verzoekschrift van de vader.
4.2.
Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de moeder het volgende naar voren gebracht. De ouders hebben ongeveer twee jaar een affectieve relatie gehad. Tijdens deze relatie is [de minderjarige] geboren. De relatie is geëindigd in december 2018, toen [de minderjarige] omstreeks drie maanden oud was. De vader is vertrokken en daarna heeft hij zeven maanden niets van zich laten horen. Daarna is het contact eerst weer langzaam opgestart. Na het verbreken van hun affectieve relatie hebben partijen geen ouderschapsplan opgesteld. In de praktijk komt het erop neer dat [de minderjarige] eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag 15.15 uur tot zondagavond na het eten en wekelijks op woensdagmiddag van 16.00 uur tot 18.30 uur bij de vader verblijft. Naar aanleiding van het verzoekschrift van de vader zijn partijen door de rechtbank voor mediation doorverwezen. Tijdens dit traject hebben partijen het zorgweekend van de vader verlengd tot maandagochtend, wat nu nog steeds op deze wijze wordt uitgevoerd. Voor wat betreft vakanties geldt dat partijen hier per keer afspraken over maken en dat de moeder het goed vindt dat [de minderjarige] vakanties met de vader doorbrengt.
4.3.
Ten aanzien van het gezag heeft de moeder het volgende naar voren gebracht. Zij acht het nu niet het goede moment om de vader mede met het gezag te belasten. Tijdens de mediation is het gezamenlijk gezag een onderwerp van gesprek geweest. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen. In de praktijk informeert de moeder de vader over de gebeurtenissen in het leven van [de minderjarige] . Daarnaast probeert de moeder de vader te betrekken bij beslissingen over school en/of hobby's. Het probleem hierbij is dat partijen niet met elkaar kunnen communiceren, waardoor het afstemmen over relevante zaken vrijwel onmogelijk is. Kort geleden is nog een incident geweest, waarbij de overdracht van [de minderjarige] op vrijdagmiddag zo mis ging dat een explosieve situatie ontstond bij de ouders van de moeder die niet ongemerkt aan [de minderjarige] voorbij is gegaan. De ouders en de broer van de moeder hebben aangifte gedaan van onder meer bedreiging en mishandeling door de vader. De moeder heeft contact opgenomen met Veilig Thuis en het CJG. Het CJG heeft aangegeven dat partijen baat zouden kunnen hebben bij de begeleiding van een CJG­coach. Op die manier kunnen partijen onder begeleiding werken aan verbetering van de communicatie. Wanneer de communicatie duurzaam is verbeterd, zullen partijen in staat zijn om in gezamenlijk overleg beslissingen over [de minderjarige] te kunnen nemen zonder dat dit belastend voor haar is en zonder dat zij klem of verloren raakt tussen haar ouders. Partijen hebben ieder akkoord gegeven voor een traject bij het CJG. De moeder hoopt dat op korte termijn een start kan worden gemaakt. De moeder wenst dat het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt afgewezen dan wel dat deze beslissing wordt aangehouden totdat partijen na deskundige begeleiding in staat zijn gebleken om zelfstandig op een constructieve manier te communiceren.

5.De Raad

De Raad heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen reden is om de door de vader verzochte omgangsregeling af te wijzen. De verzochte overnachting van woensdag op donderdag zal in het begin wennen zijn voor [de minderjarige] , maar dat is logisch. Verder heeft de Raad naar voren gebracht dat deze ouders prima in staat moeten worden geacht om als ouders samen te werken en het gezag over [de minderjarige] te delen. De communicatie is nu niet goed, maar ouders zijn tot op heden desondanks in staat gebleken om samen afspraken over [de minderjarige] te maken. Er zijn dus geen belemmeringen om het verzoek tot gezamenlijk gezag toe te wijzen.

6.De beoordeling

Omgang
6.1.
Partijen hebben op de zitting overeenstemming bereikt over de omgang en hebben verzocht deze in de te geven beschikking vast te leggen. De rechtbank zal beslissen op de wijze als door partijen aangegeven, nu niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich daartegen verzet. Ter zitting heeft de moeder toegezegd dat wanneer [de minderjarige] op school een Vaderdagscadeau maakt, dit aan de vader wordt gegeven. De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder deze toezegging gestand doet.
Gezag
6.2.
Op grond van artikel 1:253c BW kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Uit het tweede lid van dit artikel volgt dat indien dit verzoek ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten en de andere ouder met dit gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
6.3.
Gezamenlijk gezag vereist dat de ouders in staat zijn tot enige vorm van communicatie met elkaar en dat zij beslissingen van enig belang over de minderjarige in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarige kunnen voordoen.
6.4.
Gelet op wat op de zitting is besproken, is de rechtbank, met de Raad, van oordeel dat aan het hiervoor genoemde vereiste is voldaan. Het is belangrijk dat ouders zich, conform het advies van de Raad, via het CJG aanmelden voor een traject als Ouderschap Blijft, om hun onderlinge communicatie te verbeteren. De ouders zijn, ieder voor zich, betrokken ouders die het beste voor [de minderjarige] willen en die in het belang van [de minderjarige] over haar kunnen communiceren op een volwassen wijze, zonder [de minderjarige] teveel te belasten. Dat er onderwerpen zijn waarover de ouders van mening verschillen en dat de communicatie niet altijd vlekkeloos zal verlopen, is iets waar de ouders als volwassenen mee zullen moeten (blijven) omgaan. De rechtbank ziet twee ouders die elkaar liever niet zien, maar die het wel lukt om, in het belang van [de minderjarige] , te handelen en tot afspraken te komen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze ouders prima in staat moeten worden geacht gezamenlijk belangrijke beslissingen over [de minderjarige] te nemen. Het is de rechtbank, net als de Raad, niet gebleken dat sprake is van omstandigheden die zich daartegen verzetten. Partijen hebben ook op de zitting laten zien dat zij bereid en in staat zijn om met elkaar tot afspraken te komen, bijvoorbeeld over de omgang, de vakanties en feestdagen. De stelling van de moeder dat in een recent verleden sprake is geweest van een (gewelds)incident bij de overdracht van [de minderjarige] en dat partijen daardoor nog niet klaar zijn voor gezamenlijk gezag, leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit om een incident lijkt te gaan.
6.5.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat een hulpverleningstraject als Ouderschap Blijft bij uitstek geschikt is om partijen te laten inzien wat ervoor nodig is om tot een constructieve samenwerking op ouderniveau te komen. Het doel van dit traject is namelijk dat de ouders kunnen communiceren en handelen vanuit hun positie als ouder. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen zich voor Ouderschap Blijft (of een vergelijkbaar traject) zullen aanmelden.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
bepaalt dat de ouders gezamenlijk met de uitoefening van het gezag worden belast over de minderjarige Vincken:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
7.2.
stelt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt vast:
de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] , verblijft bij de vader:
  • eens per twee weken van vrijdag uit school tot en met maandagochtend naar school waarbij de vader of zijn partner [de minderjarige] op vrijdag van school haalt en maandagochtend naar school brengt;
  • eens per twee weken op woensdag (volgend op het weekend dat [de minderjarige] bij de vader verblijft) van 16.00 uur tot de volgende dag naar school, waarbij de vader of zijn partner [de minderjarige] op woensdag om 16.00 uur bij de moeder ophaalt en donderdagochtend naar school brengt;
  • in de zomervakantie in de even jaren de eerste twee weken, dan twee nachten bij de moeder, dan de rest van de week bij de vader en de drie daaropvolgende weken omgedraaid;
  • in de mei- en kerstvakantie: in de even jaren steeds de 2e week;
  • de regeling voor overige vakanties, feestdagen en bijzondere dagen zoals omschreven in voornoemde rechtsoverweging 3.2, met dien verstande dat wanneer de vader op een feestdag moet werken de reguliere zorgregeling geldt;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door A.K. Mireku, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van I.B. Dinkelaar als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.