ECLI:NL:RBNHO:2025:11767

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
C/15/350388 / FA RK 24-1357
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag over minderjarigen in het belang van de kinderen

In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Holland op 13 oktober 2025 uitspraak gedaan over het verzoek van de vader om het gezamenlijk gezag over zijn minderjarige kinderen te beëindigen. De vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. J.H. Prins, heeft aangevoerd dat de moeder, die psychische problemen en een drankprobleem heeft, niet in staat is om op een verantwoorde manier gezagsbeslissingen te nemen. De moeder heeft ingestemd met het verzoek van de vader, maar was niet aanwezig op de zitting. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die het noodzakelijk maken om het gezamenlijk gezag te beëindigen. De kinderen verblijven bij de vader en de rechtbank oordeelt dat het in het belang van de kinderen is dat de vader alleen het gezag uitoefent. De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de vader onmiddellijk het gezag over de kinderen alleen uitoefent, ondanks mogelijke hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
beëindiging gezamenlijk gezag
zaaknummer: C/15/350388 / FA RK 24-1357
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 13 oktober 2025
in de zaak van:
[de vader],
wonende te [plaats] ,
hierna: de vader ,
advocaat mr. J.H. Prins, kantoorhoudende te Den Helder,
tegen
[de moeder],
wonende te [plaats] ,
hierna: de moeder.
betreffende
de minderjarige [de minderjarige 1] (hierna: [de minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
de minderjarige [de minderjarige 2] (hierna: [de minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
hierna gezamenlijk: de kinderen.

1.De procedure

1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de vader, ingekomen op 14 maart 2024;
- het bericht van de zijde van de vader van 19 juni 2025;
- het e-mailbericht van de moeder van 25 juli 2025, waaruit blijkt dat de moeder zich kan vinden in het verzoek van de vader om het gezag over de kinderen alleen uit te oefenen;
- het e-mailbericht van de moeder van 30 juli 2025, waaruit blijkt dat de moeder vanwege gezondheidsredenen niet aanwezig zal zijn ter zitting;
- het e-mailbericht (zonder inhoud) van de moeder van 30 juli 2025.
1.2
De moeder heeft bij de rechtbank binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.
1.3
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 september 2025. Ter zitting waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
Tevens was ter zitting als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).
De moeder was, met bericht van afwezigheid, niet aanwezig ter zitting.
1.4
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hier geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1
De ouders hebben een affectieve relatie gehad.
2.2
Deze zaak heeft betrekking op het volgende minderjarige kinderen van de ouders:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
2.3
De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over de kinderen.
2.4
De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vader.
2.5
[de minderjarige 1] verblijft op dit moment in een woongroep. [de minderjarige 2] woont op dit moment in een gezinshuis.
2.6
De kinderen zien hun moeder om en om één dag in het weekend.

3.Het verzoek

3.1
De vader verzoekt het gezamenlijk gezag te beëindigen en te bepalen dat hij het gezag over de kinderen alleen uitoefent.
3.2
Als onderbouwing van zijn verzoek stelt de vader dat het in het belang van de kinderen is dat hij het gezag over hen alleen zal uitoefenen. Voortzetting van het gezamenlijk gezag zal de belangen van de kinderen schaden. Bij de moeder is sprake van psychische problemen in de vorm van psychoses en een drankprobleem. [1] Vanwege de geestelijke gezondheidstoestand van de moeder is al langere tijd sprake van slechte communicatie tussen partijen. De vader heeft er geen vertrouwen in dat binnen afzienbare tijd een dusdanige vorm van communicatie tussen de ouders tot stand kan komen, die tenminste voor gezamenlijk gezag noodzakelijk is om belangrijke beslissingen over de kinderen in gezamenlijk overleg te kunnen nemen. De vader heeft geen vertrouwen in de moeder vanwege haar problematiek en kan niet op haar bouwen. Het lukt de moeder niet om haar verantwoordelijkheid te nemen. De moeder is vaak niet beschikbaar en niet bereikbaar en kan in haar situatie geen rationele beslissingen nemen voor de kinderen. De vader vreest dat de moeder in de toekomst verder onbereikbaar zal zijn of haar toestemming zal weigeren voor beslissingen die over de kinderen moeten worden genomen. Voor [de minderjarige 1] is in de toekomst mogelijk verdere hulpverlening noodzakelijk. De vader acht het niet in het belang van [de minderjarige 1] dat de noodzakelijk geachte hulpverlening voor hem pas later kan worden opgestart omdat de moeder niet goed beschikbaar dan wel bereikbaar is om een handtekening te zetten. Ook zullen er de komende jaren, nu de kinderen ouder worden, veel beslissingen moeten worden genomen zoals schoolkeuze, behandeling, vakanties in het buitenland etc.
3.3
De moeder heeft bij e-mailbericht van 25 juli 2025 laten weten dat zij instemt met het verzoek van de vader tot beëindiging van het gezamenlijk gezag.

4.De beoordeling

Het wettelijk kader
4.1
Uit artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond van waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Het advies van de raad
4.2
Ter zitting heeft de raad naar voren gebracht dat het in het belang van de kinderen is dat de vader het gezag over hen alleen zal uitoefenen. Aan de zijde van de moeder is sprake van psychische problematiek, waardoor zij niet altijd bereik is (geweest) voor de vader op het moment dat gezagsbeslissingen over de kinderen moeten worden genomen.
De beoordeling
4.3
Tussen de ouders is niet in geschil dat sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:253n BW.
4.4
De rechtbank dient te beoordelen of het gezamenlijk gezag van de ouders moet worden beëindigd, zoals verzocht door de vader. De rechtbank vindt het in het belang van de kinderen noodzakelijk dat de vader alleen het gezag over hen uitoefent. Hiervoor heeft de rechtbank de volgende redenen.
4.5
De rechtbank stelt voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is van de wetgever. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening waarbij zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er al jaren sprake is van een gebrekkige communicatie tussen de ouders. Bij de moeder is sprake van psychische problematiek in de vorm van psychoses en een drankprobleem. Hierdoor lukt het de vader niet om de moeder te bereiken op de momenten dat de vader in overleg wil treden over gezagsbeslissingen die moeten worden genomen. De onbereikbaarheid van de moeder heeft ertoe geleid dat de ouders de afgelopen jaren onvoldoende in staat zijn geweest om in gezamenlijk overleg te treden om gezagsbeslissingen te nemen over de kinderen. Zo heeft het lang geduurd voordat de moeder toestemming wilde verlenen voor het verblijf van de kinderen bij de vader. Daarbij komt dat de verwachting bestaat dat de moeder, vanwege haar psychische problematiek, niet in staat zal zijn om gedegen gezagsbeslissingen over de kinderen te kunnen nemen. De rechtbank acht dit niet in het belang van de kinderen gezien de noodzakelijke hulpverlening voor de problematiek van de kinderen.
4.6
De rechtbank leidt hieruit de verwachting af dat gezamenlijk gezag ertoe zal leiden dat keer op keer geen (tijdige) gezagsbeslissingen kunnen worden genomen. Het zal voor de ouders (te) moeizaam of zelfs onmogelijk zijn om invulling te geven aan het gezamenlijk gezag. Gelet op de huidige onderlinge verhoudingen tussen de ouders en de psychische problematiek aan de zijde van de moeder is de rechtbank van oordeel dat voortduring van het gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen is. De vader moet als hoofdopvoeder van de kinderen in staat zijn om zo nodig snel en zonder vertraging gezagsbeslissingen te kunnen nemen. Hierdoor ontstaat voor de kinderen de nodige rust. Het is dan ook in het belang van de kinderen dat de vader het gezag over hen alleen uitoefent. De rechtbank zal het verzoek van de vader dan ook toewijzen.
4.7
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
beëindigt met ingang van heden het gezamenlijk gezag van de ouders over de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
en bepaalt dat de vader voortaan het gezag over de kinderen alleen uitoefent;
5.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Hermans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.