ECLI:NL:RBNHO:2025:11761

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
C/15/348897 / FA RK 24-597
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot uitbreiding omgangsregeling tussen moeder en minderjarige

In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Holland op 13 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoek van de moeder om de omgangsregeling met haar minderjarige dochter uit te breiden. De moeder, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. R. Shahbazi, verzocht om een regeling waarbij zij eenmaal per maand gedurende tweeëneenhalf uur contact zou hebben met haar dochter. De gecertificeerde instelling, William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, heeft verweer gevoerd en stelde dat de huidige regeling, die voorziet in twee omgangsmomenten per jaar van een halfuur, niet gewijzigd moest worden. De minderjarige, die bijna achttien jaar oud is, heeft zelf aangegeven dat zij de huidige regeling prefereert en dat uitbreiding van de omgangsregeling voor haar te belastend is. De rechtbank heeft de belangen van de minderjarige zwaar laten wegen in haar beslissing. Gezien de leeftijd van de minderjarige en haar duidelijke visie op de omgang, heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding is om de huidige regeling uit te breiden. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder afgewezen en benadrukt dat het afdwingen van een uitgebreidere regeling kan leiden tot verdere verwijdering tussen moeder en dochter. De beschikking is openbaar uitgesproken en kan, voor zover definitief, worden aangevochten bij het gerechtshof te Amsterdam binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
afwijzing verzoek tot uitbreiding omgangsregeling
zaaknummer: C/15/348897 / FA RK 24-597
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 13 oktober 2025
in de zaak van:
[de moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna: de moeder,
advocaat mr. R. Shahbazi, kantoorhoudende te Den Haag,
tegen
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna: de GI.
betreffende
[de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
De rechtbank heeft als belanghebbenden aangemerkt:
- de pleegouders, [de pleegmoeder] (hierna: de pleegmoeder) en [de pleegvader] (hierna: de pleegvader).

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de moeder, ingekomen op 8 februari 2024;
- het bericht van de zijde van de moeder van 3 juli 2025;
- het bericht van de GI, ingekomen op 9 september 2025.
1.2
De GI heeft bij de rechtbank binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.
1.3
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 september 2025. Ter zitting waren aanwezig:
- de moeder (op eigen verzoek aanwezig via videobeeldverbinding), bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
Tevens was ter zitting als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).
De pleegouders waren, met bericht van afwezigheid, niet aanwezig ter zitting.
1.4
[de minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een kindgesprek met de rechtbank op 16 september 2025. Van dit gesprek is ter zitting kort en zakelijk verslag gedaan.

2.De feiten

2.1
De moeder en [de vader] (hierna gezamenlijk: de ouders) hebben een affectieve relatie gehad.
2.2
Deze zaak heeft betrekking op het volgende minderjarige kind van de ouders: [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
2.3
Bij beschikking van 21 januari 2008 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Ook heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 21 januari 2011.
2.4
Bij beschikking van 30 maart 2010 heeft de rechtbank de ouders van het gezag over [de minderjarige] ontheven. De GI is belast met de voogdij over [de minderjarige] .
2.5
[de minderjarige] verblijft sinds 21 januari 2008 bij de pleegouders.
2.6
Op dit moment vindt er tweemaal per jaar een omgangsmoment plaats tussen [de minderjarige] en de moeder.

3.Het verzoek

3.1
De moeder verzoekt
primaireen omgangsregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] eenmaal per maand gedurende tweeëneenhalf uur bij de moeder verblijft. Indien de rechtbank geen omgangsregeling zal vaststellen, verzoekt de moeder
subsidiairte bepalen dat de raad wordt verzocht te onderzoeken welke omgangsregeling in het belang van [de minderjarige] is.
3.2
Als onderbouwing van haar verzoek stelt de moeder dat de GI na de gezagsbeëindiging onvoldoende inspanningen heeft verricht om omgang te bewerkstelligen tussen de moeder en [de minderjarige] . Voor een gezonde en veilige ontwikkeling van [de minderjarige] is het van belang dat zij contact onderhoudt met haar moeder. Hoewel de moeder zich ervan bewust is dat zij op dit moment niet meer de primaire opvoeder is van [de minderjarige] , acht zij geen concrete feiten en omstandigheden aanwezig op grond waarvan geen uitbreidere omgangsregeling zou kunnen worden vastgesteld. Er is geen sprake van contra-indicaties waardoor de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] beperkt moet worden. De moeder ziet in dat de omgangsmomenten moeten worden opgebouwd omdat er tot op heden weinig omgang heeft plaatsgevonden met [de minderjarige] . Ter zitting heeft de moeder hieraan toegevoegd dat zij recent haar euthanasiewens kenbaar heeft gemaakt, ook aan [de minderjarige] . Dit heeft de wens om de omgangsregeling met [de minderjarige] uit te breiden versterkt.
3.3
De GI heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt de huidige omgangsregeling niet te wijzigen. [de minderjarige] is inmiddels bijna achttien en heeft een duidelijke mening over de omgang met de moeder. [de minderjarige] wil dat de omgangsregeling blijft zoals deze nu is vastgesteld, te weten eens per halfjaar een omgangsmoment gedurende een halfuur. Deze omgang is naar wens van [de minderjarige] op een neutrale plek, zoals een cafeetje waar wat gedronken kan worden. [de minderjarige] vindt het gezien de problematiek van de moeder fijn dat er voor de moeder begeleiding bij is en vindt het gezien de spanning die het met zich meebrengt voor zichzelf ook fijn dat er een vertrouwd iemand bij is. Ter zitting heeft de GI hieraan toegevoegd dat de euthanasiewens van de moeder is besproken met [de minderjarige] , maar dat dit niet heeft geleid tot een ander standpunt.

4.De beoordeling

Het wettelijk kader
4.1
Uit artikel 1:377a, eerste lid, van het BW volgt dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Ingevolge het tweede lid van dit artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Het advies van de raad
4.2
Ter zitting heeft de raad naar voren gebracht dat de raad begrijpt dat het voor de moeder belangrijk is om haar dochter te zien en dat zij de wens heeft om de huidige omgangsregeling uit te breiden. Tegelijkertijd is [de minderjarige] bijna achttien jaar en kan zij over een paar maanden zelfstandig beslissen over de omgang met de moeder. [de minderjarige] heeft duidelijk onderbouwd waarom zij de omgangsregeling met de moeder niet wil uitbreiden.
De beoordeling
4.3
Aan de rechtbank ligt de vraag voor of de omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de moeder moet worden uitgebreid. De rechtbank acht zich op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen. Het verzoek van de moeder om een nader onderzoek door de raad te gelasten, zal dan ook worden afgewezen.
4.4
Op dit moment vindt er tussen [de minderjarige] en de moeder tweemaal per jaar gedurende een halfuur een omgangsmoment plaats. Net als de raad begrijpt de rechtbank dat het voor de moeder belangrijk is om haar dochter te zien en dat zij de wens heeft om de huidige omgangsregeling uit te breiden. [de minderjarige] heeft echter duidelijk kenbaar gemaakt dat zij de huidige omgangsmomenten als zwaar ervaart en dat de (voorbereiding op) de omgangsmomenten veel spanning met zich mee brengt. Zij heeft het gevoel dat zij tijdens de omgangsmomenten verantwoordelijk is voor het gaande houden van het gesprek, wat voor haar belastend is. Daarnaast heeft de moeder [de minderjarige] in het verleden meerdere malen teleurgesteld door omgangsmomenten af te zeggen. Dit maakt dat [de minderjarige] heeft aangegeven de huidige omgangsregeling niet te willen uitbreiden. [de minderjarige] is inmiddels bijna achttien jaar en dit betekent dat zij op korte termijn zelfstandig en zonder inmenging van derden zal kunnen beslissen over de frequentie van het contact met haar moeder. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de mening van [de minderjarige] zwaar weegt. Gelet op haar leeftijd en haar duidelijke visie ziet de rechtbank geen aanleiding om de huidige omgangsregeling tegen de wens van [de minderjarige] in uit te breiden. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het afdwingen van een uitgebreidere omgangsregeling bij een kind die daar duidelijk weerstand tegen heeft, kan leiden tot verdere verwijdering tussen een kind en een ouder in plaats van verbinding en dit zal niet ten goede komen aan de onderlinge band tussen de moeder en [de minderjarige] .
4.5
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
wijst het verzoek van de moeder tot uitbreiding van de omgangsregeling af;
5.2
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Hermans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.