ECLI:NL:RBNHO:2025:11756

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
C/15/349736 / FA RK 24-1009
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en vaststelling vakantieregeling in een familiezakenprocedure

Op 13 oktober 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, een beschikking gegeven in een familiezakenprocedure betreffende de zorgregeling en vakantieregeling voor de minderjarige [de minderjarige]. De ouders, de vader en de moeder, hebben geen relatie gehad en zijn in contact gekomen via de website OneWish. In een ouderschapsplan van 30 januari 2023 hebben zij afspraken gemaakt over de zorg- en opvoedingstaken. De vader heeft verzocht om wijziging van de voorlopige zorgregeling, die op 21 mei 2024 was vastgesteld, en om een vakantieregeling. De moeder heeft verweer gevoerd en verzocht om de voorlopige zorgregeling om te zetten in een definitieve zorgregeling, waarbij zij de huidige regeling als het meest in het belang van [de minderjarige] beschouwt.

De rechtbank heeft de zaak op 23 september 2025 mondeling behandeld. De ouders hebben hun standpunten toegelicht, waarbij de vader benadrukte dat de huidige regeling leidt tot onrust en dat hij streeft naar meer stabiliteit voor [de minderjarige]. De moeder heeft aangegeven dat de huidige regeling goed werkt en dat zij niet in staat is om de door de vader voorgestelde wijzigingen door te voeren. De Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd dat de ouders samen moeten werken aan hun communicatie en gedeeld ouderschap.

De rechtbank heeft uiteindelijk besloten om de zorgregeling te wijzigen, waarbij de minderjarige [de minderjarige] nu om de week bij de vader verblijft van vrijdag 16.30 uur tot maandag 18.00 uur en van zondag 17.00 uur tot dinsdag 10.00 uur. Tevens is er een vakantieregeling vastgesteld, waarbij ouders minimaal drie maanden van tevoren overleg moeten plegen over voorgenomen vakanties. De rechtbank heeft benadrukt dat de ouders gezamenlijk gezag uitoefenen en dat samenwerking en flexibiliteit vereist zijn voor het welzijn van [de minderjarige].

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
vaststelling zorgregeling en vakantieregeling
zaaknummer: C/15/349736 / FA RK 24-1009
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 13 oktober 2025
in de zaak van:
[de vader],
wonende te [plaats] ,
hierna: de vader,
advocaat mr. G. Öntas, kantoorhoudende te Amsterdam,
tegen
[de moeder],
wonende te [plaats] ,
hierna: de moeder,
advocaat mr. R. Bottenheft, kantoorhoudende te Velsen-Zuid,
betreffende
de minderjarige [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] te [plaats] .

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de vader, ingekomen op 29 februari 2024;
- het verweerschrift met bijlagen van de moeder, ingekomen op 29 april 2024;
- de beschikking van deze rechtbank van 21 mei 2024 over de voorlopige zorgregeling;
- het bericht van de zijde van de moeder van 12 september 2025;
- het bericht met bijlagen van de zijde van de moeder van 17 september 2025.
1.2
De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 23 september 2025. Ter zitting waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
Verder was ter zitting als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).
De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

2.Feiten

2.1
De ouders hebben geen relatie met elkaar gehad. Zij zijn met elkaar in contact gekomen via de website OneWish, een website om op een persoonlijke manier een co-ouder of donor te ontmoeten.
2.2
Deze zaak heeft betrekking op het volgende minderjarige kind van de ouders: [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
2.3
De ouders zijn op 30 januari 2023 een ouderschapsplan met elkaar overeengekomen. In het ouderschapsplan hebben de ouders – onder meer – de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) tussen de vader en [de minderjarige] afgesproken:
- De eerste drie maanden na de geboorte zal bij de moeder thuis frequent kort contact plaatsvinden tussen de vader en [de minderjarige] ter bevordering van de hechting tussen hen.
- Na verloop van drie maanden bekijken de ouders samen of het mogelijk is deze regeling langzaam uit te breiden. Het belang van [de minderjarige] zal daarbij doorslaggevend zijn. Het is de intentie van de ouders om toe te werken naar een zorgregeling waarbij [de minderjarige] om het weekend van vrijdag 17:00 uur tot en met maandagochtend bij de vader thuis zal verblijven, waarbij de moeder [de minderjarige] op vrijdag naar de vader brengt en de vader [de minderjarige] op maandag weer naar de moeder brengt.

2.De verdere beoordeling

2.1
Bij (tussen)beschikking van 21 mei 2024 heeft de rechtbank, nadat de ouders ter zitting overeenstemming hebben bereikt over de zorgregeling, een voorlopige zorgregeling vastgesteld tussen de vader en [de minderjarige] , inhoudende dat [de minderjarige] de ene week van vrijdag 16.30 uur tot en met maandag 18.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de moeder [de minderjarige] op vrijdag naar de vader brengt ( [de minderjarige] moet om 16.30 uur bij de vader zijn) en de vader [de minderjarige] op maandag weer bij de moeder terugbrengt ( [de minderjarige] moet om 18.00 uur bij de moeder zijn). De andere week verblijft [de minderjarige] van maandag 8.00 uur tot dinsdag 10.00 uur bij de vader, waarbij de vader [de minderjarige] op maandag om 8.00 uur bij de moeder ophaalt en de vader [de minderjarige] op dinsdag uiterlijk om 10.00 uur aan het kinderdagverblijf overdraagt.
De behandeling van de overige verzoeken van de vader is aangehouden tot een nader te bepalen zitting.
2.2
De rechtbank moet nog beslissen op het verzoek van de vader om een zorgregeling vast te stellen tussen hem en [de minderjarige] . Aanvankelijk heeft de vader verzocht een zorgregeling vast te stellen inhoudende dat:
- zolang [de minderjarige] niet naar school gaat verblijft [de minderjarige] wekelijks van zondag 12.00 uur tot dinsdag 17.00 uur bij de vader;
- zodra [de minderjarige] naar school gaat verblijft zij wekelijks van vrijdag 16.30 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader.
Ter zitting heeft de vader zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij verzoekt een zorgregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen inhoudende dat:
- zolang [de minderjarige] niet naar school gaat verblijft [de minderjarige] wekelijks van zondag 12.00 uur tot dinsdag 10.00 uur bij de vader, waarbij de vader [de minderjarige] naar de opvang brengt;
- zodra [de minderjarige] naar school gaat verblijft zij wekelijks van vrijdag 16.30 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader, waarbij de vader [de minderjarige] op zondag naar de moeder brengt;
- omdat de vader begrijpt dat het voor de moeder en [de minderjarige] belangrijk is om eens per maand een volledig weekend samen te hebben, stelt de vader voor dat [de minderjarige] één weekend per maand bij de moeder verblijft en drie weekenden per maand bij de vader conform voornoemde regeling, zowel voor de periode waarin [de minderjarige] nog niet naar school gaat als de periode waarin [de minderjarige] naar school gaat.
Ook moet de rechtbank nog beslissen over het verzoek van de vader om een vakantieregeling vast te stellen, inhoudende dat:
- tijdens de zomervakantie: tot aan de periode dat [de minderjarige] naar school gaat, zal [de minderjarige] om de week bij de vader zijn en vanaf de schoolperiode zal [de minderjarige] in de even jaren de eerste drie weken en in de oneven jaren de laatste drie weken bij de vader verblijven;
- tijdens de schoolvakanties met een tijdsduur van een week: [de minderjarige] verblijft de vanaf de eerste zaterdag tot en met de dinsdag bij haar vader;
- tijdens de schoolvakanties met een tijdsduur van twee weken: [de minderjarige] verblijft in de even jaren de eerste week en in de oneven jaren de tweede week bij de vader.
De standpunten van partijen
2.3
Ter onderbouwing van zijn – ter zitting gewijzigde – verzoek stelt de vader dat de huidige zorgregeling tot te veel onrust en spanning leidt. De ene week vindt er contact plaats van vrijdag tot zondag en de andere week van maandag op dinsdag. Dit zijn te veel overdrachtsmomenten en de overdracht op maandag om 8.00 uur is vaak niet haalbaar vanwege de ochtendspits waardoor de vader in de file staat. De vader vindt het belangrijk dat er een zorgregeling wordt vastgesteld waarbij zo veel mogelijk rust en stabiliteit wordt gecreëerd voor [de minderjarige] door zo min mogelijk overdrachtsmomenten te hanteren en rekening te houden met eventuele files. Zodra [de minderjarige] naar school gaat wenst de vader toe te werken naar een weekendregeling. Daarom is de vader nu al bezig met de opleiding van een nieuwe werknemer die de kapperszaak van de vader draaiend kan houden op zaterdag. Op dit moment is het voor de vader echter nog niet haalbaar dat [de minderjarige] op zaterdag bij hem verblijft en dit maakt dat de vader niet akkoord kan gaan met omzetting van de voorlopige zorgregeling in een definitieve zorgregeling, zoals voorgesteld door de moeder.
Ter onderbouwing van zijn verzoek tot vaststelling van een vakantieregeling stelt de vader dat de ouders in het ouderschapsplan hebben opgenomen dat zij de vakanties in onderling overleg zullen verdelen. De vader wenst de verdeling van de vakanties vastgesteld te hebben zodat duidelijkheid en daarmee ook rust in de communicatie met de moeder ontstaat.
2.4
De moeder heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt – kort gezegd en bij wijze van gewijzigd verzoek – de voorlopige zorgregeling om te zetten in een definitieve zorgregeling. [de minderjarige] is sinds mei 2024 gewend aan de huidige (voorlopige) zorgregeling en is gewend om haar vader op wekelijkse basis te zien. De ouders hebben hun werk en eventuele opvang voor [de minderjarige] afgestemd op de huidige regeling. Dit maakt dat voortzetting van deze regeling het meest in het belang van [de minderjarige] is. De door de vader voorgestelde zorgregeling is bovendien niet haalbaar voor de moeder omdat het vanuit haar werkgever verplicht is om om de week een weekenddienst te draaien en de moeder hierdoor niet iedere zaterdag voor [de minderjarige] kan zorgen. Ook wordt in de door de vader voorgestelde zorgregeling geen rekening gehouden met de wens van de moeder om eenmaal in de twee weken een volledig (vrij) weekend met [de minderjarige] door te brengen.
Ten aanzien van de door de vader verzochte vakantieregeling heeft de moeder ook gemotiveerd verweer gevoerd. Zij verzoekt te bepalen dat, zolang [de minderjarige] nog niet naar school gaat, de ouders een verzoek voor een voorgenomen vakantie met [de minderjarige] tijdig bespreekbaar zullen maken en met elkaar in overleg zullen treden, te weten minimaal drie maanden voorafgaand aan de betreffende gewenste vakantie. Verder acht de moeder het niet in het belang van [de minderjarige] om nu al een vakantieregeling vast te stellen voor het moment dat zij naar school gaat. Het is nog onzeker hoe de (woon)situatie van de ouders op dat moment zal zijn en wat op dat moment in het belang van [de minderjarige] is. De ouders zullen hierover tegen die tijd samen afspraken moeten maken.
Het advies van de raad
2.5
De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat is gebleken dat beide ouders (vaak) niet beschikbaar zijn op zaterdag om de zorg voor [de minderjarige] te dragen en vervolgens hun eigen probleem in de schoenen van de andere ouder schuiven. Toch zullen de ouders hier samen een oplossing voor moeten vinden door met elkaar te blijven communiceren. De raad heeft de ouders daarom geadviseerd om zich te wenden tot het wijkteam voor hulpverlening gericht op hun onderlinge communicatie en gedeeld ouderschap. Ondanks de jonge leeftijd van [de minderjarige] , is zeer waarschijnlijk dat zij wel last heeft van de onderlinge verhouding en het gebrek aan communicatie tussen de ouders en dat de spanningen tussen de ouders voor [de minderjarige] voelbaar zijn. Hoe ouder [de minderjarige] wordt, des te meer zij de spanningen tussen de ouders zal gaan begrijpen. Indien de noodzakelijke hulpverlening uitblijft zal in de toekomst mogelijk een beschermingsonderzoek moeten worden verricht.
De beoordeling door de rechtbank
De zorgregeling
2.6
Uit artikel 1:253a in samenhang met artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van (één van) de gezaghebbende ouder(s) een beslissing over een zorgregeling kan nemen of een door ouders onderling getroffen zorgregeling kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
2.7
De rechtbank dient zich te buigen over het verzoek van de vader tot wijziging van de huidige voorlopige zorgregeling. De rechtbank constateert dat beide ouders gegronde redenen hebben aangevoerd op grond waarvan zij niet volledig kunnen instemmen met het voorstel van de andere ouder. Vanwege het werkrooster en de praktische bezwaren van beide ouders zal het niet mogelijk zijn om volledig aan ieders wensen tegemoet te komen. Tegelijkertijd is [de minderjarige] gebaat bij een stabiele en voorspelbare zorgregeling, die door de ouders kan worden nagekomen. De rechtbank zal daarom grotendeels aansluiting zoeken bij de bestaande voorlopige zorgregeling omdat die het meeste aansluit bij de bestaande praktijk en daarmee de meeste rust en stabiliteit biedt voor [de minderjarige] . Wel zal de rechtbank tegemoet komen aan het verzoek van de vader om rekening te houden met een overdrachtsmoment buiten de ochtendspits. Een wijziging van de huidige zorgregeling op dit punt zal immers bijdragen aan een werkbare uitvoering van de zorgregeling. De rechtbank de volgende zorgregeling vaststellen:
- de ene week verblijft [de minderjarige] van vrijdag 16.30 uur tot en met maandag 18.00 uur bij de vader, waarbij de moeder [de minderjarige] op vrijdag naar de vader brengt ( [de minderjarige] moet om 16.30 uur bij de vader zijn) en de vader [de minderjarige] op maandag weer bij de moeder terugbrengt ( [de minderjarige] moet om 18.00 uur bij de moeder zijn);
- de andere week verblijft [de minderjarige] van zondag 17.00 uur tot dinsdag 10.00 uur bij de vader, waarbij de vader [de minderjarige] op zondag 17.00 uur bij de moeder ophaalt en de vader [de minderjarige] op dinsdag uiterlijk om 10.00 uur aan de opvang overdraagt.
Bij de vaststelling van voornoemde zorgregeling heeft de rechtbank zo veel mogelijk rekening gehouden met de wens van de moeder om eenmaal in de twee weken een volledig (vrij) weekend met [de minderjarige] door te brengen. Zo laat deze zorgregeling ruimte om op zondag (tot 17.00 uur) op familiebezoek te gaan of een verjaardag bij te wonen met [de minderjarige] .
2.8
De rechtbank benadrukt dat de ouders het gezamenlijk gezag uitoefenen over [de minderjarige] en daarmee de gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Dit betekent dat van beide ouders samenwerking en flexibiliteit vereist is. Van beide ouders wordt verwacht dat zij bereid zijn ‘water bij de wijn’ te doen en hun werkrooster waar mogelijk aan te passen ten behoeve van een zorgregeling die werkbaar is voor beide ouders en die in het belang van [de minderjarige] is. De rechtbank onderschrijft in dit kader het advies van de raad aan de ouders om zich te wenden tot het wijkteam voor hulpverlening gericht op hun onderlinge communicatie en gedeeld ouderschap. Verbetering van de onderlinge communicatie is immers essentieel voor het welzijn van [de minderjarige] en voor de uitvoering van de zorgregeling op lange termijn. De rechtbank benadrukt de noodzaak van deze hulpverlening en wijst de ouders op de mogelijke consequenties bij het uitblijven van hulpverlening.
2.9
Tot slot merkt de rechtbank op dat bij deze beschikking geen definitieve zorgregeling wordt vastgesteld voor de periode dat [de minderjarige] naar school gaat. Indien de ouders de zorgregeling (op termijn) willen wijzigen staat het hun vrij om hierover met elkaar in overleg te gaan, indien gewenst in samenwerking met de hulpverlening.
De vakantieregeling
2.9
Ten aanzien van de vakantieregeling zal de rechtbank zowel een regeling vaststellen voor de periode dat [de minderjarige] nog niet naar school gaat als een regeling voor de periode dat [de minderjarige] wel naar school gaat. Hierbij zal de rechtbank een onderscheid maken tussen de zomervakantie en de overige (kortere) vakanties.
2.1
Zolang [de minderjarige] nog niet naar school gaat hebben te ouders nog niet te maken met het systeem van de schoolvakanties. De rechtbank zal daarom het voorstel van de moeder volgen inhoudende dat de ouders een verzoek voor een voorgenomen vakantie met [de minderjarige] tijdig bespreekbaar zullen maken en met elkaar in overleg zullen treden, te weten minimaal drie maanden voorafgaand aan de betreffende gewenste vakantie.
2.11
Zodra [de minderjarige] naar school gaat zullen de ouders te maken krijgen met het systeem van de schoolvakanties. Ten aanzien van de zomervakantie volgt de rechtbank wederom voornoemd voorstel van de moeder inhoudende dat de ouders een verzoek voor een voorgenomen vakantie met [de minderjarige] tijdig bespreekbaar zullen maken en met elkaar in overleg zullen treden, te weten minimaal drie maanden voorafgaand aan de betreffende gewenste vakantie. Ten aanzien van overige (kortere) vakanties volgt de rechtbank het voorstel van de vader inhoudende dat:
- vakanties met een tijdsduur van één week: [de minderjarige] verblijft vanaf de eerste zaterdag tot en met dinsdag bij de vader;
- vakanties met een tijdsduur van twee weken: [de minderjarige] verblijft in de even jaren de eerste week en de tweede week bij de moeder. In de oneven jaren verblijft [de minderjarige] de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader.
2.12
Dit leidt tot de volgende beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1
wijzigt de zorgregeling, zoals neergelegd in het ouderschapsplan van 30 januari 2023, als volgt:
- de ene week verblijft [de minderjarige] van vrijdag 16.30 uur tot en met maandag 18.00 uur bij de vader, waarbij de moeder [de minderjarige] op vrijdag naar de vader brengt ( [de minderjarige] moet om 16.30 uur bij de vader zijn) en de vader [de minderjarige] op maandag weer bij de moeder terugbrengt ( [de minderjarige] moet om 18.00 uur bij de moeder zijn);
- de andere week verblijft [de minderjarige] van zondag 17.00 uur tot dinsdag 10.00 uur bij de vader, waarbij de vader [de minderjarige] op zondag 17.00 uur bij de moeder ophaalt en de vader [de minderjarige] op dinsdag uiterlijk om 10.00 uur aan de opvang overdraagt;
3.2
stelt, voor de periode dat [de minderjarige] nog niet naar school gaat, een vakantieregeling vast inhoudende dat de ouders een verzoek voor een voorgenomen vakantie met [de minderjarige] tijdig bespreekbaar maken en met elkaar in overleg treden, te weten minimaal drie maanden voorafgaand aan de betreffende gewenste vakantie;
3.3
stelt, voor de periode dat [de minderjarige] naar school gaat, een vakantieregeling vast inhoudende dat:
- zomervakantie: de ouders maken een verzoek voor een voorgenomen vakantie met [de minderjarige] tijdig bespreekbaar en treden met elkaar in overleg, te weten minimaal drie maanden voorafgaand aan de betreffende gewenste vakantie;
- ( kortere) vakanties met een tijdsduur van één week: [de minderjarige] verblijft vanaf de eerste zaterdag tot en met dinsdag bij de vader;
- ( kortere) vakanties met een tijdsduur van twee weken: [de minderjarige] verblijft in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder. In de oneven jaren verblijft [de minderjarige] de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader;
3.4
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Hermans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.