ECLI:NL:RBNHO:2025:11732

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
C/15/364054 / FA RK 25-1841
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.P. van de Haak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 10:17 BWArt. 10:19 BWArt. 10:20 BWArt. 10:97 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtelijke vaststelling ouderschap man van minderjarige met dubbele nationaliteit

De moeder verzoekt de rechtbank om het vaderschap van de man vast te stellen ten aanzien van hun minderjarige kind, aangezien erkenning door de man niet mogelijk was vanwege zijn verblijfsstatus en het ontbreken van documenten. Eerder werd het vaderschap van de man voor de twee oudste kinderen reeds gerechtelijk vastgesteld.

De rechtbank toetst eerst haar rechtsmacht en het toepasselijke recht. Ondanks de dubbele Eritrese en Nederlandse nationaliteit van de moeder en de Eritrese nationaliteit van de man, wordt Nederlands recht toegepast op grond van de gewone verblijfplaats van partijen, analoog aan artikel 10:17 BW Pro.

De bijzondere curator bevestigt het vaderschap van de man en adviseert geen DNA-onderzoek. De rechtbank oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is voldaan en wijst het verzoek toe. Het verzoek tot vaststelling van de geslachtsnaam wordt afgewezen omdat dit bij de ambtenaar van de burgerlijke stand ligt.

De rechtbank beveelt verzending van de beschikking aan de burgerlijke stand en sluit de werkzaamheden van de bijzondere curator af, tenzij er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitkomst: Het vaderschap van de man wordt gerechtelijk vastgesteld, het verzoek tot vaststelling van de geslachtsnaam wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
gerechtelijke vaststelling ouderschap
zaak-/rekestnr.: C/15/364054 / FA RK 25-1841
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 7 oktober 2025
in de zaak van:
[de moeder],
wonende te [plaats] ,
hierna mede te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S. Kuijs, kantoorhoudende te Heiloo,
in welke zaak belanghebbende is:
[de man],
wonende te [plaats] ,
hierna mede te noemen: de man.
Het minderjarige kind
[de minderjarige 1]wordt vertegenwoordigd door [bijzondere curator] , bijzondere curator.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de moeder, met bijlagen, ingekomen op 10 april 2025;
- de beschikking van 5 juni 2025, waarbij advocaat [bijzondere curator] , kantoorhoudende te [plaats] , is benoemd tot bijzondere curator voor de minderjarige [de minderjarige 1] ;
- het verslag van de bijzonder curator, ingekomen op 24 juli 2025;
- het bericht van de advocaat van de vrouw van 22 augustus 2025;
- het bericht van de bijzonder curator van 28 augustus 2025.
1.2.
Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.

2.De feiten en omstandigheden

2.1.
Uit de moeder is op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] geboren de minderjarige [de minderjarige 1] (hierna te noemen: [de minderjarige 1] ).
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 7 oktober 2020 is het ouderschap van de man vastgesteld betreffende het op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] uit de moeder geboren kind: [de minderjarige 2] .
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 4 maart 2022 is het ouderschap van de man vastgesteld betreffende het op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] uit de moeder geboren kind: [de minderjarige 3] .

3.Het verzoek

3.1.
De moeder verzoekt de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man met betrekking tot [de minderjarige 1] .
3.2.
De moeder stelt dat de man de verwekker is van [de minderjarige 1] . Na de geboorte van [de minderjarige 1] wilde de man [de minderjarige 1] erkennen, maar er werd door de gemeente aangegeven dat dit niet mogelijk is omdat de man zonder geldige verblijfstitel in Nederland verblijft en geen geboorteakte noch een verklaring van de burgerlijke staat uit zijn land van herkomst kan overleggen. Om dezelfde reden kon de man de twee oudste kinderen [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] niet erkennen en heeft de rechtbank ten aanzien van deze kinderen een gerechtelijke vaststelling van het ouderschap uitgesproken.

4.Het verweer

4.1.
De man heeft geen schriftelijk verweer gevoerd.

5.Verslag van de bijzondere curator

5.1.
De bijzondere curator heeft in haar verslag aangegeven dat alle betrokkenen ervan overtuigd zijn dat de man de verwekker is van [de minderjarige 1] . De bijzondere curator ziet geen reden om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De bijzondere curator heeft eerder ook in de zaken ten aanzien van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] verslag uitgebracht. Naar aanleiding van het eerder afgenomen DNA-onderzoek en de feitelijke situatie dat partijen als één gezin door het leven gaan, kan DNA-onderzoek naar de mening van de bijzondere curator dan ook achterwege blijven. De bijzondere curator meent dat het op grond van de eenheid binnen het gezin, het in het belang van [de minderjarige 1] is dat het verzoek van de moeder wordt toegewezen.

6.De beoordeling

gerechtelijke vaststelling ouderschap van de man
6.1.
Door de omstandigheid dat de moeder de Nederlandse nationaliteit en de Eritrese nationaliteit bezit en de man de Eritrese nationaliteit bezit, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag beantwoord dient te worden of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt.
Deze vraag kan op grond van het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevestigend worden beantwoord, nu uit de overgelegde stukken is gebleken dat de moeder haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
6.2.
Vervolgens komt de vraag aan de orde welk recht van toepassing is op het verzoek.
De beantwoording van deze vraag dient te geschieden aan de hand van het bepaalde in artikel 97 van Pro Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
6.3.
Het eerste lid van artikel 10:97 BW Pro luidt als volgt:
Of en onder welke voorwaarden het ouderschap van een man gerechtelijk kan worden vastgesteld, wordt bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de man en de moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat van hun gemeenschappelijke gewone verblijfplaats of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
6.4.
De rechtbank dient ambtshalve te toetsen welk recht toepasselijk is. De man en de moeder hebben de Eritrese nationaliteit gemeenschappelijk, zodat op grond van artikel 10:97 BW Pro Eritrees recht van toepassing is op het verzoek. Echter, de moeder is naar Nederland gekomen als vreemdeling aan wie destijds een verblijfsvergunning is verstrekt als bedoeld in artikel 28 of Pro 33 van de Vreemdelingenwet 2000. Nadien heeft de moeder de Nederlandse nationaliteit verkregen. Indien de moeder onderhavig verzoek had ingediend in de periode dat zij de vluchtelingenstatus nog had, dan was artikel 10:17 BW Pro van toepassing en daarmee Nederlands recht. Artikel 10:17 BW Pro heeft als strekking dat de persoonlijke staat van een vreemdeling wordt beheerst door het recht van zijn (nieuwe) woonplaats. Bij afwezigheid van artikel 10:17 BW Pro zou teruggevallen moeten worden op de vroegere nationaliteit, hetgeen in het algemeen genomen in strijd kan zijn met de subjectieve belevingen van de vreemdeling en veelal zal ook de aanknopingswaarde van de vroegere nationaliteit in de loop er tijd steeds geringer worden.
De hierboven genoemde gronden voor het bestaan van artikel 10:17 BW Pro, blijven ook gelden voor een vreemdeling die de vluchtelingenstatus verliest doordat de Nederlandse nationaliteit wordt verkregen. Sterker nog: die gronden doen zich dan steeds meer gelden. Immers, in dat geval had de vreemdeling naar Nederlands recht gegronde redenen om het land van herkomst te ontvluchten. De wetgever heeft echter niet voorzien in een soortgelijke bepaling als artikel 10:17 BW Pro voor personen die de vluchtelingenstatus verloren hebben doordat zij de Nederlandse nationaliteit verkregen hebben én wanneer die persoon geen afstand kan doen van de nationaliteit van het land waar de persoon vandaan gevlucht is, zoals bij de Eritrese nationaliteit het geval is. Dat zou tot gevolg kunnen hebben dat in geval van een dubbele nationaliteit, waarvan sprake is bij de moeder in deze zaak, personen weer aangewezen zijn op het recht van het land dat zij zijn ontvlucht indien de andere partij ook de nationaliteit heeft van het ontvluchte land, zoals hier het geval is. Dat acht de rechtbank in strijd met de achterliggende gedachte bij artikel 10:17 BW Pro.
Tegen deze achtergrond zal de rechtbank bepalen dat in dit geval, analoog aan artikel 10:17 BW Pro, op grond van artikel 10:97 BW Pro het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de man en de moeder bepalend is voor het toepasselijk recht. Nu die gewone verblijfplaats Nederland is, is dus Nederlands recht van toepassing op de beoordeling van het verzoek van de moeder.
6.5.
In artikel 1:207 lid 1 sub a BW Pro, voor zover hier van belang, is bepaald dat het ouderschap van een persoon op de grond dat deze de verwekker is van het kind, door de rechtbank kan worden vastgesteld op verzoek van de moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt.
6.6.
Het verzoek van de moeder moet op grond van artikel 1:207 lid 3 BW Pro worden ingediend binnen vijf jaren na de geboorte van het kind. Nu [de minderjarige 1] op [geboortedatum] is geboren, heeft de moeder het verzoek tijdig ingediend en is zij dus ontvankelijk is in haar verzoek.
6.7.
De moeder en de man zijn ervan overtuigd dat de man de verwekker is van [de minderjarige 1] . De bijzondere curator heeft geen aanleiding om aan het verwekkerschap van de man te twijfelen. Ook de rechtbank ziet, gezien de toelichting in het verzoekschrift en het verslag van de bijzondere curator, geen aanleiding om te twijfel aan het verwekkerschap van de man met betrekking tot [de minderjarige 1] , zodat aan de daartoe gestelde voorwaarde in artikel 1:207 lid 1 BW Pro is voldaan. Nu aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan en de man het verzoek niet heeft weersproken, kan het verzoek van de moeder worden toegewezen.
geslachtsnaam [de minderjarige 1]
6.8.
De moeder heeft verzocht vast te stellen dat de geslachtsnaam van [de minderjarige 1] zal zijn: [geslachtsnaam] , zijnde dezelfde geslachtsnaam als de oudste twee kinderen.
6.9.
Op de geslachtsnaam van [de minderjarige 1] is op grond van artikel 10:19 in Pro samenhang met 10:20 BW het Nederlandse recht van toepassing. Er is geen wettelijke grondslag op grond waarvan de rechtbank kan bepalen welke geslachtsnaam [de minderjarige 1] zal hebben. De rechtbank zal het daartoe strekkende verzoek daarom afwijzen.
Het is de ambtenaar van de burgerlijke stand die op grond van artikel 1:5 BW Pro zal bepalen welke geslachtsnaam [de minderjarige 1] zal hebben nadat de beslissing tot gerechtelijke vaststelling ouderschap in kracht van gewijsde is gegaan en de ambtenaar een latere vermelding daarvan aan de geboorteakte van [de minderjarige 1] zal toevoegen.
6.10.
De rechtbank merkt daarbij ten overvloede op dat de twee oudste kinderen in de basisregistratie personen zowel op hun eigen persoonslijst als op die van de moeder de geslachtsnaam [geslachtsnaam] hebben en niet, zoals de advocaat heeft gesteld, de geslachtsnaam [geslachtsnaam] . Op de persoonslijst van de man komt alleen [de minderjarige 2] voor met de geslachtsnaam [geslachtsnaam] . De rechtbank gaat ervan uit dat de ambtenaar van de basisregistratiepersonen na ontvangst van bericht van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] naar aanleiding van deze beschikking, ook de persoonslijst van de man in overeenstemming zal brengen met de persoonslijsten van zowel [de minderjarige 2] , [de minderjarige 1] en [de minderjarige 3] .

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
stelt vast het ouderschap van
[de man], geboren op
[geboortedatum] te [plaats] , betreffende het kind:
-
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
7.2.
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;
7.2.
draagt de griffier - op grond van artikel 1:20 e lid 1 BW - op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking -en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld- een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] ;
7.3.
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator, [bijzondere curator] , als beëindigd tenzij tegen de afstammingsuitspraak een rechtsmiddel wordt ingesteld.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.P. van de Haak, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van H.M. Zonneveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.