ECLI:NL:RBNHO:2025:11499

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 oktober 2025
Publicatiedatum
8 oktober 2025
Zaaknummer
10485576 \ CV EXPL 23-2726
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compensatie voor passagiers van een langdurig vertraagde vlucht

In deze zaak hebben passagiers compensatie gevorderd van de vervoerder, Royal Air Maroc, vanwege een langdurig vertraagde vlucht van Amsterdam naar Fez op 11 augustus 2021. De passagiers hebben hun vordering onderbouwd door aan te tonen dat zij de vervoerder voorafgaand aan de procedure hebben aangemaand en dat deze aanmaningen zijn ontvangen. De vervoerder heeft zijn verweer tegen de hoofdsom ingetrokken, waardoor de kantonrechter de gevorderde hoofdsom van € 4.800,00 heeft toegewezen. De passagiers hebben ook buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten gevorderd. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de passagiers voldoende bewijs hebben geleverd dat de aanmaningen zijn verzonden en ontvangen, en dat de vervoerder niet kan stellen dat hij rauwelijks is gedagvaard. De kantonrechter heeft de vervoerder veroordeeld tot betaling van de gevorderde bedragen, inclusief wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10485576 \ CV EXPL 23-2726
Uitspraakdatum: 8 oktober 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eiser 1]2. [eiser 2] , pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor zijn minderjarige kinderen [minderjarige 1], [minderjarige 2] [minderjarige 3]allen wonende te [plaats 1]

3. [eiser 3]wonende te [plaats 2]

4. [eiser 4]

5. [eiser 5]

6. [eiser 6]pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor zijn minderjarige kinderen
[minderjarige 4],
[minderjarige 5]en
[minderjarige 6]allen wonende te [plaats 3]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Royal Air Maroc
gevestigd te Casablanca, Marokko
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. T. Teke (Advocatenpraktijk Teke)
De zaak in het kort
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd vanwege een langdurig vertraagde vlucht. De gevorderde hoofdsom wordt toegewezen omdat de vervoerder zijn verweer daartegen heeft ingetrokken. Daarnaast hebben de passagiers voldoende onderbouwd dat zij de vervoerder voorafgaand aan de procedure hebben aangemaand en dat de vervoerder de aanmaningen heeft ontvangen. Er is daarom geen aanleiding om de passagiers te veroordelen in de proceskosten.

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- het bericht met aanvullende producties van de passagiers van 9 november 2023;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;
- het tussenvonnis van 18 juni 2025 waarin mondelinge behandeling is bepaald;
- het bericht met aanvullende producties van de passagiers van 22 augustus 2025;
- de mondelinge behandeling van 15 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 11 augustus 2021 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Fez, Marokko, met vlucht AT1609 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht vertraagd uitgevoerd. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
2.5.
Passagiers sub 2 en sub 6 zijn door de kantonrechter gemachtigd om in deze procedure op te treden als wettelijk vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen.

3.Het geschil

3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 4.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 augustus 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 732,05 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,- per persoon. [1]
3.3.
De vervoerder heeft de hoofdsom erkend. Hij voert verweer tegen de gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling van het geschil.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Omdat de vervoerder in deze procedure geen verweer voert tegen de gevorderde compensatie en de daarover gevorderde wettelijke rente, zullen deze worden toegewezen.
4.3.
In geschil zijn slechts de vorderingen tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Met betrekking tot de proceskosten geldt dat de in het ongelijk gestelde partij in beginsel wordt veroordeeld in de proceskosten. Dit kan anders zijn als vast komt te staan dat deze kosten nodeloos zijn aangewend of veroorzaakt. [2]
4.4.
De vervoerder voert aan dat de proceskosten moeten worden afgewezen omdat hij rauwelijks door de passagiers is gedagvaard. Bij de dagvaarding hebben de passagiers aanmaningen in briefvorm overgelegd. Hij heeft deze aanmaningen echter niet ontvangen. Als de aanmaningen per e-mail naar het standaard e-mailadres van de vervoerder zijn gestuurd, geldt dat de passagiers deze ook via het webformulier op zijn website hadden moeten indienen. Dit betekent dat de passagiers hem niet de mogelijkheid hebben geboden om het geschil buiten rechte op te lossen, aldus de vervoerder.
4.5.
De passagiers hebben bij repliek toegelicht dat de overgelegde aanmaningen bijlagen zijn van e-mails. Deze e-mails heeft hun gemachtigde naar het door de vervoerder genoemde e-mailadres verzonden. Ter onderbouwing hebben zij schermafbeeldingen van een
e-mailprogramma overgelegd. Uit deze schermafbeeldingen blijkt wat de verzenddata en
-tijden van de e-mails waren en dat de aanmaningen daaraan als bijlage zijn toegevoegd. Zij hebben geen (automatisch) antwoord gekregen van de vervoerder.
4.6.
De vervoerder heeft daar tegenin gebracht dat uit deze schermafbeeldingen niet blijkt welke e-mails of brieven er aan hem zijn verzonden en evenmin dat de aanmaningen daar als bijlage aan zijn gehecht. Hij heeft de genoemde e-mails ook niet in zijn systemen kunnen vinden. Uit de omstandigheid dat de passagiers geen automatisch antwoord hebben gekregen, blijkt juist dat de vervoerder de e-mails niet heeft ontvangen.
4.7.
Vooruitlopend op de mondelinge behandeling hebben de passagiers log-bestanden van de mailserver overgelegd. Zij hebben op de mondelinge behandeling toegelicht dat dit ‘proof of delivery’-rapporten zijn van de door hun gemachtigde verzonden e-mails. Als een e-mail wordt verstuurd, stuurt de ontvangende server een zogenaamde ‘SMTP-code’ terug. Dat is de taal waarin e-mailprogramma’s met elkaar communiceren. Deze code kan bijvoorbeeld een ontvangstbevestiging of een foutmelding zijn. Er kan maar één code terugkomen op een
e-mail. In het geval van de e-mails van de passagiers is op elk bericht de code ‘250 2.1.5 Ok’ teruggekomen. Code 250 staat voor
‘Success! The email was delivered.’.Daaruit blijkt dat de e-mails daadwerkelijk zijn ontvangen door de vervoerder. Anders zou de gemachtigde van de passagiers immers een foutcode hebben teruggekregen. Bij een technische storing waarbij de server van de vervoerder in het geheel niet werkt, zou er geen enkele code zijn teruggestuurd, aldus de passagiers.
4.8.
Voor zover de vervoerder heeft aangevoerd dat (de gemachtigde van) de passagiers de vorderingen (ook) via het formulier op zijn website hadden moeten indienen, oordeelt de kantonrechter dat het indienen van een buitengerechtelijk verzoek tot compensatie in beginsel vormvrij is. Dit betoog slaagt dus niet.
4.9.
Met betrekking tot de discussie over het ontvangen van de e-mails stelt de kantonrechter voorop dat een verklaring, om haar werking te hebben, de geadresseerde moet hebben bereikt. [3] Omdat de vervoerder gemotiveerd heeft betwist dat hij de e-mails heeft ontvangen, rustte op de passagiers de last te bewijzen dat dit wel het geval was. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn zij daarin geslaagd. Met de bestanden uit de mailserver en hun uitgebreide toelichting daarop hebben zij voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de e-mails bij de vervoerder zijn aangekomen. De omstandigheid dat er vervolgens geen (automatisch) antwoord op deze e-mails is gekomen, maakt dit niet anders.
4.10.
De vervoerder heeft daarnaast aangevoerd dat er uit de bestanden uit de mailserver niet blijkt dat er bijlagen met de e-mails zijn meegestuurd. Volgens de passagiers is dit echter wel het geval: onder het kopje ‘
Message Attachments’staan de namen van de meegestuurde bijlagen en de grootte daarvan. Omdat de vervoerder daar niet meer op heeft gereageerd, hebben de passagiers naar het oordeel van de kantonrechter eveneens voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de verzonden en ontvangen e-mails voorzien waren van bijlagen met daarin de aanmaningen, zodat de ontvangst daarvan voldoende vaststaat.
4.11.
Ten slotte heeft de vervoerder op de mondelinge behandeling aangevoerd dat het
e-mailadres waar de gemachtigde van de passagiers de aanmaningen naar heeft gestuurd een ‘no-reply’-adres betreft. Daarom betekent de omstandigheid dat de e-mails zijn aangekomen niet dat zij ook zijn gelezen.
4.12.
Dit betoog van de vervoerder slaagt evenmin. Als onbetwist staat immers vast dat er geen reactie vanuit het e-mailadres op de e-mails van de gemachtigde van de passagiers is gekomen, zodat aan de hand daarvan niet kan worden vastgesteld of het een ‘no-reply’-adres betreft. Ook uit het adres zelf blijkt niet zonder meer dat het om een ‘no-reply’-adres zou gaan. Daarom was het voor (de gemachtigde van) de passagiers in ieder geval niet kenbaar dat het om een ‘no-reply’-adres zou gaan en mochten zij erop vertrouwen dat de berichten ook zouden (kunnen) worden gelezen. Al met al is dus geen sprake van rauwelijks dagvaarden.
4.13.
Bovendien heeft de vervoerder in de schriftelijke procedure aanvankelijk inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vorderingen van de passagiers, welk verweer hij bij conclusie van dupliek heeft laten varen. Er is daarom geen reden om te veronderstellen dat hij de passagiers buiten rechte tegemoet zou zijn gekomen. De vervoerder heeft de gevorderde hoofdsom evenmin gedurende de procedure betaald na het intrekken van zijn verweer tegen de hoofdsom. Daarom ziet de kantonrechter geen aanleiding om de passagiers te veroordelen in de proceskosten.
4.14.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft deze vordering betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende onderbouwd dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
4.15.
De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Zij hebben niet gesteld dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.
4.16.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 5.532,05, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.800,00 vanaf 11 augustus 2021, en over € 732,05 vanaf 28 februari 2023, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 125,86;
griffierecht € 244,00;
salaris gemachtigde € 1.017,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 135,00 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Artikel 7 van de Verordening.
2.Artikel 237 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
3.Artikel 3:37 lid 3 BW.