ECLI:NL:RBNHO:2025:11440

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 september 2025
Publicatiedatum
7 oktober 2025
Zaaknummer
C/15/368407 / JU RK 25-1107
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 24 september 2025 een beschikking gegeven over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De moeder van de minderjarige is door persoonlijke problematiek niet in staat om een veilige en stabiele opvoedomgeving te bieden. De minderjarige verblijft momenteel bij zijn grootmoeder en halfzus, waar hij positieve stappen in zijn ontwikkeling maakt. De kinderrechter heeft vastgesteld dat het belangrijk is om het perspectief van de minderjarige duidelijk te maken in het komende jaar, zodat hij kan starten met hulpverlening gericht op traumaverwerking.

De procedure begon met een verzoek van de gecertificeerde instelling, Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers, om de ondertoezichtstelling van de minderjarige te verlengen voor een jaar. De kinderrechter heeft de zitting met gesloten deuren gehouden, waarbij de halfzus en de vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling aanwezig waren. De moeder, vader en grootmoeder waren niet verschenen, ondanks dat zij correct waren opgeroepen. De kinderrechter heeft de minderjarige gevraagd naar zijn mening, maar hij heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te spreken.

De kinderrechter heeft geconcludeerd dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling zijn vervuld, gezien de beperkte vorderingen in het afgelopen jaar en de aanhoudende ontwikkelingsbedreiging. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 4 oktober 2026, en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/368407 / JU RK 25-1107
Datum uitspraak: 24 september 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
[de grootmoeder],
hierna te noemen: de grootmoeder,
wonende in [plaats] ,
[de halfzus] ,
hierna te noemen: de halfzus,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van 29 juli 2025, ontvangen op 5 augustus 2025;
  • het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 1 augustus 2025, na toetsing voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na 2 jaar.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 september 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de halfzus;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
De moeder, de grootmoeder en de vader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met de kinderrechter te spreken.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootmoeder en de halfzus.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 oktober 2023 [de minderjarige] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling bij beschikking van 15 oktober 2024 is verlengd tot 4 oktober 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 oktober 2023 een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootmoeder en de halfzus. Deze machtiging is steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 15 oktober 2024 tot 4 oktober 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek als volgt onderbouwd. De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd en er zijn blijvende zorgen over zijn welbevinden. De moeder is niet structureel in beeld. Het contact dat [de minderjarige] met haar heeft verloopt via de halfzus. De vader is niet betrokken en toont geen initiatief tot contact met [de minderjarige] . [de minderjarige] vraagt zelf ook niet naar de vader. Hoewel [de minderjarige] stappen maakt in zijn ontwikkeling binnen de begeleiding van de dagbesteding [dagbesteding] , zijn de gevolgen van wat hij in het verleden heeft meegemaakt nog steeds zichtbaar. Er is specialistische zorg nodig, waaronder traumatherapie, maar dit kan pas gestart worden wanneer er duidelijkheid is over zijn toekomstperspectief.
3.3.
De grootmoeder en de halfzus zijn positief gescreend als netwerkpleeggezin. Zij kunnen pleegzorgbegeleiding krijgen vanuit de WSGV (William Schrikker Gezinsvormen voor Netwerkpleegzorg) maar dit is nog niet gestart. Sinds november 2024 ontvangen zij ambulante ondersteuning van het KJTC (Kinder- & Jeugdtraumacentrum) wat zij als zeer positief ervaren. De GI onderzoekt momenteel het perspectief voor [de minderjarige] . In gesprekken geeft [de minderjarige] aan dat hij het liefst weer bij de moeder zou wonen. Op dit moment is de moeder niet in staat om de zorg en opvoeding van [de minderjarige] weer volledig op zich te nemen. Zij lijkt onvoldoende in staat om haar eigen problematiek te erkennen en onvoldoende in het belang van [de minderjarige] te kunnen handelen.
3.4.
De betrokkenheid van de GI en het KJTC blijft op dit moment noodzakelijk om de ontwikkeling van [de minderjarige] te volgen en te ondersteunen. Gezien de huidige situatie en de kwetsbaarheid van [de minderjarige] is verlenging van de maatregelen voor de duur van een jaar noodzakelijk.

4.De standpunten

4.1.
De halfzus heeft naar voren gebracht dat het goed gaat met [de minderjarige] . Hij maakt grote sprongen, op school en thuis. Tussen de moeder en de halfzus gaat het op dit moment goed en de halfzus wil deze week weer met [de minderjarige] bij de moeder gaan eten. Zij zou [de minderjarige] vanwege zijn veiligheid nooit alleen bij de moeder laten. Zij staat achter de verlenging van de maatregelen. Als het perspectief van [de minderjarige] bij de halfzus en de grootmoeder bepaald wordt, staat de halfzus daar zeker voor open.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De kinderrechter stelt vast dat het afgelopen jaar beperkte vorderingen zijn gemaakt op de doelen van de ondertoezichtstelling, wat maakt dat de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] die bestond ten tijde van het uitspreken van de ondertoezichtstelling nog onverkort aanwezig is. Het contact tussen [de minderjarige] en de moeder is minimaal en [de minderjarige] heeft geen contact met de vader. De moeder is vanwege haar persoonlijke problematiek niet in staat om een veilige en stabiele opvoedomgeving te bieden aan [de minderjarige] . [de minderjarige] zit op zijn plek bij de halfzus en de grootmoeder en zet positieve stappen in zijn ontwikkeling, zowel op de dagbesteding als thuis.
5.3.
Het komende jaar is het belangrijk dat het perspectief van [de minderjarige] duidelijk wordt zodat [de minderjarige] daarin rust kan ervaren en kan starten met hulpverlening gericht op traumaverwerking. [de minderjarige] heeft aangegeven dat hij de moeder mist en het is nodig dat onderzocht wordt of er een vorm van structureel contact mogelijk is tussen hem en de moeder. Ook moet de pleegzorgbegeleiding vanuit WSGV voor de halfzus en de grootmoeder zo snel mogelijk opgestart worden.
5.4.
De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de maatregelen, zoals verzocht, mede gelet op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, voor de duur van een jaar.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 4 oktober 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 4 oktober 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C.A. Onderwater, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2025, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 1 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.