ECLI:NL:RBNHO:2025:11379

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
3 oktober 2025
Zaaknummer
11544369
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 261/2004Artikel 5 lid 3 van de Verordening (EG) nr. 261/2004HvJEU 11 juni 2020, C-74/19, ECLI:EU:C:2020:460Art. 6:83 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compensatiepassagier wegens geannuleerde vlucht zonder passend alternatief

De passagier had een vlucht geboekt van München naar Amsterdam die op 30 november 2023 werd geannuleerd vanwege winters weer, een buitengewone omstandigheid. De vervoerder bood verschillende alternatieve vluchten aan, die ook werden geannuleerd, waarna een vlucht meer dan 24 uur later werd aangeboden. De passagier weigerde deze en regelde zelf vervoer.

De passagier vorderde compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 en schadevergoeding voor gemaakte vervoerskosten. De vervoerder stelde zich op het standpunt dat sprake was van buitengewone omstandigheden en dat passende maatregelen waren genomen.

De rechtbank oordeelde dat de vervoerder onvoldoende had aangetoond dat een sneller alternatief met beschikbare plaatsen was aangeboden, waardoor de compensatieplicht bleef bestaan. De treinkosten werden toegewezen, taxikosten niet voldoende onderbouwd. De buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende naleving van verzoeken door de passagier.

De vervoerder werd veroordeeld tot betaling van € 476,40 plus wettelijke rente en proceskosten, met uitvoerbaarheid bij voorraad.

Uitkomst: De vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van € 476,40 plus wettelijke rente en proceskosten wegens onvoldoende passend alternatief bij vluchtannulering.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11544369 \ CV EXPL 25-951
Uitspraakdatum: 1 oktober 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiseres]
wonende te [plaats]
eiseres
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. R. Bos (ProBe-ASP B.V., handelend onder de naam Aviclaim)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft
gevestigd te Keulen (Duitsland)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigden: mr. J. Nooij & mr. N. van der Graaf (Russell Advocaten)
De zaak in het kort
De passagier heeft van de vervoerder (onder meer) compensatie gevraagd voor een geannuleerde vlucht. De vervoerder stelt dat de annulering van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk winters weer in München. Gesteld noch gebleken is echter dat hij de passagier vervolgens heeft omgeboekt op de eerstvolgende alternatieve vlucht naar Amsterdam. De vordering van de passagier wordt daarom (grotendeels) toegewezen.

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder haar op 30 november 2023 moest vervoeren van Franz Josef Strauß Airport (Duitsland) naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht LH2306 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
2.3.
De vervoerder heeft de passagier omgeboekt op de vluchten LH119 en LH1002 op 1 december 2023 en LH996 en LX1087 op 2 december 2023.
2.4.
De vervoerder heeft bovenstaande alternatieven eveneens geannuleerd.
2.5.
De vervoerder heeft de passagier vervolgens omgeboekt op vlucht KL1924 op 3 december 2023.
2.6.
De passagier heeft dit aanbod geweigerd en zelf vervangend vervoer geregeld, waarmee zij naar Eindhoven is gereisd.
2.7.
De passagier heeft compensatie en schadevergoeding van de vervoerder gevorderd.
2.8.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3.Het geschil

3.1.
De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 796,40, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van annulering van de vlucht, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 119,46 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagier baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder haar vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,00. [1] Daarnaast stelt de passagier dat zij als gevolg van de geannuleerde vlucht(en) genoodzaakt was kosten te maken voor een taxirit van München naar Frankfurt (€ 320,00) en een treinticket (€ 226,40) voor aansluitend vervoer naar Eindhoven.
3.3.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Niet in geschil is dat de vlucht is geannuleerd. Daarom moet de vervoerder in beginsel compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. [2]
4.3.
De vervoerder heeft een beroep gedaan op buitengewone omstandigheden. De kantonrechter overweegt als volgt. Als onbetwist staat vast dat de passagier door de vervoerder is omgeboekt op vlucht KL1924, met welke vlucht zij meer dan 24 uur later op Schiphol zou aankomen. Dit kwalificeert in beginsel niet als redelijke maatregel. Het is in een dergelijk geval aan de vervoerder om te onderbouwen dat er geen sneller alternatief met plaats beschikbaar was, eventueel bij een andere luchtvaartmaatschappij. [3] De algemene stelling van de vervoerder dat er in de periode 30 november 2023 tot en met 3 december 2023 een beperkt aantal vluchten met niet al te veel beschikbare plaatsen vlogen, is daartoe echter onvoldoende. Daarom is niet gebleken dat hij de passagier een redelijk alternatief heeft aangeboden. De door de passagier gevorderde compensatie zal daarom worden toegewezen.
4.4.
Voor de gevorderde additionele kosten geldt het volgende. De vervoerder heeft de kosten voor de treinreis naar Eindhoven niet betwist. Deze kosten (€ 226,40) zullen daarom worden toegewezen. De kantonrechter oordeelt echter dat de taxikosten (€ 320,00) niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu de passagier dit deel van haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd.
4.5.
Voor de vordering tot compensatie geldt dat de daarover gevorderde rente toewijsbaar is met ingang van de datum waarop de passagier schade heeft geleden. Dat is de datum waarop de passagier op de eindbestemming had moeten aankomen. Het gaat om een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade meteen opeisbaar is. [4] Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente over de compensatie wordt daarom toegewezen vanaf 30 november 2023.
4.6.
De wettelijke rente over de gevorderde treinkosten is niet toewijsbaar vanaf 30 november 2023 omdat – wat deze kosten betreft – voor het intreden van verzuim een ingebrekestelling is vereist. Deze rente zal derhalve worden toegewezen vanaf 22 dagen na 5 december 2023, nu gesteld noch gebleken is dat sprake is van een eerdere datum van het intreden van het verzuim.
4.7.
De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft dit (gemotiveerd) betwist. De kantonrechter overweegt als volgt. Uit de brief [5] die door de passagier is overgelegd volgt dat de vervoerder heeft verzocht om een incassoregistratie van de gemachtigde van de passagier, zoals verplicht op grond van de Duitse wetgeving. Hij heeft aangegeven pas na ontvangst hiervan inhoudelijk te kunnen reageren. Niet gebleken is dat de passagier aan dit verzoek heeft voldaan. Dit had wel op haar weg gelegen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom worden afgewezen.
4.8.
De vervoerder zal (grotendeels) in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Daarbij wordt de vervoerder ook veroordeeld tot betaling van nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de passagier worden gemaakt. De gevorderde rente wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 476,40, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 250,00 vanaf 30 november 2023 en over € 226,40 vanaf 27 december 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 144,47;
griffierecht € 226,00;
salaris gemachtigde € 164,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 41,00 aan nakosten, voor zover de passagier daadwerkelijk nakosten zal maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Artikel 7 van Pro de Verordening.
2.Artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.
3.HvJEU 11 juni 2020, C-74/19, ECLI:EU:C:2020:460.
4.Artikel 6:83 sub b BW Pro.
5.Productie 4 bij de inleidende dagvaarding.