ECLI:NL:RBNHO:2025:11265

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
1 oktober 2025
Zaaknummer
11648120 \ CV FORM 25-2373
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 7 Verordening (EG) nr. 261/2004Artikel 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Artikel 20 lid 2 Verordening (EG) nr. 861/2007Verordening (EU) 2015/2421HvJEU 11 juni 2020, C-74/19
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compensatiepassagiers wegens geannuleerde vlucht niet voorkomen door vervoerder

Passagiers hebben compensatie gevorderd van de vervoerder na annulering van vlucht EC7892 van Ibiza naar Amsterdam op 19 oktober 2023. De vervoerder stelde dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden en dat alle redelijke maatregelen waren genomen.

De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat passagiers met minder dan een dag vertraging zijn aangekomen en dat er geen eerdere alternatieven beschikbaar waren. De vervoerder heeft niet aangetoond dat hij ook andere luchtvaartmaatschappijen heeft onderzocht voor beschikbare vluchten.

Daarom wordt het verzoek van de passagiers grotendeels toegewezen en wordt de vervoerder veroordeeld tot betaling van € 2.400,00 plus wettelijke rente en proceskosten. Het verzoek tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van € 2.400,00 compensatie plus wettelijke rente en proceskosten aan de passagiers.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11648120 \ CV FORM 25-2373
Uitspraakdatum: 1 oktober 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eiser 1]wonende te [plaats 1]

2. [eiser 2]3. [eiser 3]beiden wonende te [plaats 2]

4. [eiser 4]

5. [eiser 5]

beiden wonende te [plaats 3]
verzoekende partijen
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: [gemachtigde] (ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
EasyJet Europe Airline GmbH
gevestigd te Wenen, Oostenrijk
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal)
De zaak in het kortDe passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder stelt dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft hij echter onvoldoende concreet gesteld dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging vanwege de annulering te voorkomen of te beperken. Hij heeft namelijk onvoldoende onderbouwd dat de passagiers met een vertraging van minder dan een dag op de eindbestemming zijn aangekomen en daarnaast heeft hij onvoldoende concreet gesteld dat er geen eerdere alternatieven beschikbaar waren. Daarom wordt het verzoek van de passagiers grotendeels toegewezen.

1.Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:
  • het vorderingsformulier (formulier A);
  • het verweerschrift.
2.
De feiten
2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen en het minderjarige kind van passagier sub 1 op 19 oktober 2023 vervoeren van Ibiza, Spanje, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht EC7892 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
2.5.
Passagier sub 1 heeft het eventuele vorderingsrecht van zijn minderjarige kind aan zichzelf overgedragen.

3.Het geschil

3.1.
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 2.400,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 360,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.
3.2.
De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,- per persoon. [1]
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de annulering van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden. [2]

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering van de vlucht het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
4.3.
De vervoerder heeft een beroep op buitengewone omstandigheden gedaan. De kantonrechter oordeelt echter dat, ongeacht of de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, de vervoerder onvoldoende concreet heeft gesteld dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers op de eindbestemming te voorkomen of te beperken. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat het in beginsel geen redelijke maatregel is als een passagier een dag later dan gepland aankomt met een alternatieve vlucht die door de vervoerder zelf werd uitgevoerd. Het is in dat geval aan de vervoerder om te onderbouwen dat er geen andere mogelijkheid bestond voor een eerdere alternatieve vlucht die door hemzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij werd uitgevoerd. [3]
4.4.
De vervoerder stelt dat er voor passagier sub 1 en zijn kind geen alternatieve vluchten van de vervoerder zelf beschikbaar waren die binnen 24 uur zouden aankomen. Vervolgens heeft hij hen ticketkosten van alternatieve vluchten en andere kosten vergoed. De overige passagiers hebben zichzelf wel omgeboekt naar een alternatieve vluchtcombinatie op de volgende dag. Ook hen heeft hij verschillende kosten vergoed. Uiteindelijk zijn alle passagiers binnen 24 uur naar de plaats van bestemming vervoerd, aldus de vervoerder.
4.5.
De passagiers betwisten dit. Zij voeren aan dat zij na de annulering zijn omgeboekt op vluchtcombinatie U28102 en U28672, waarmee zij met een vertraging van meer dan een dag op de eindbestemming zijn aangekomen.
4.6.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder hiermee onvoldoende onderbouwd dat de passagiers met een vertraging van minder dan een dag op de eindbestemming zijn aangekomen, zodat het ervoor gehouden moet worden dat dit niet het geval is. Gelet daarop heeft de vervoerder onvoldoende concreet gesteld dat er geen eerdere alternatieve vluchten van hemzelf of van andere luchtvaartmaatschappijen beschikbaar waren. Ten aanzien van passagier sub 1 en zijn kind heeft hij weliswaar gesteld dat er geen vluchten van hemzelf beschikbaar waren, maar hij heeft niet toegelicht of hij heeft onderzocht of er plekken beschikbaar waren op vluchten van andere luchtvaartmaatschappijen. Dit had wel op zijn weg gelegen. Ten aanzien van de overige passagiers heeft hij in het geheel niet toegelicht wat de geboden mogelijkheden waren voor een alternatief. Wel heeft hij een afbeelding met daarboven het opschrift ‘alternatieve vluchten’ overgelegd, maar zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is het de kantonrechter niet duidelijk wat zij daaruit af zou moeten leiden. Ook de conclusie van de vervoerder dat hij alle passagiers direct een alternatieve vlucht of vervoer heeft aangeboden is zonder nadere concretisering niet af te leiden uit de rest van zijn betoog.
4.7.
Daarom heeft de vervoerder niet alle redelijke maatregelen getroffen. Dit betekent dat ook als de annulering het gevolg zou zijn geweest van buitengewone omstandigheden, de vervoerder de passagiers moet compenseren. De door de passagiers verzochte hoofdsom zal worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente over de hoofdsom is als anderszins onweersproken eveneens toewijsbaar.
4.8.
Het verzoek tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal - worden afgewezen. De passagiers hebben immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan de passagiers vergoeding verzoeken, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.
4.9.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat hij ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
4.10.
Op verzoek van de passagiers zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht. [4]

5.De beslissingDe kantonrechter:

5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 19 oktober 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 257,00 aan griffierecht en € 204,00 aan salaris gemachtigde,
en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 102,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt,
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kleij, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Voetnoten

1.Artikel 7 van Pro de Verordening.
2.Artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.
3.HvJEU 11 juni 2020, C-74/19, ECLI:EU:C:2020:460.
4.Zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 van Pro de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van 16 december 2015.