Verzoekers dienden op 14 augustus 2025 een wrakingsverzoek in tegen drie rechters van de rechtbank Noord-Holland in lopende bestuursrechtelijke procedures. Zij voerden aan dat de rechtbank onduidelijkheid had gecreëerd over de vervanging van een rechter tijdens de zitting van 3 juli 2025, en dat de wijze van communicatie over de uitspraak op 14 augustus 2025 de schijn van partijdigheid versterkte.
De wrakingskamer oordeelde dat verzoekers al op 8 juli 2025 op de hoogte waren van de relevante feiten en omstandigheden, nadat de voorzitter van de meervoudige kamer schriftelijk had bevestigd dat een rechter zich noodgedwongen had laten vervangen en dat hierover geen nadere toelichting zou worden gegeven. Hierdoor was het wrakingsverzoek van 14 augustus 2025 te laat ingediend.
De wrakingskamer verklaarde het verzoek daarom niet-ontvankelijk en beval dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals dat was ten tijde van het indienen van het verzoek. De beslissing werd op 11 september 2025 in het openbaar uitgesproken door de wrakingskamer van de rechtbank Noord-Holland.