Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:10291

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 september 2025
Publicatiedatum
8 september 2025
Zaaknummer
11833769 VV EXPL 25-115
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:43 BWArt. 6:44 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering huurachterstand, contractuele boete en incassokosten in kort geding

De zaak betreft een kort geding tussen [eiser] B.V. en [gedaagde] over een huurachterstand van bedrijfsruimte. De huurovereenkomst bevat algemene voorwaarden met een contractuele boete van 1% per maand bij niet tijdige betaling en een regeling voor incassokosten. [gedaagde] erkent de huurachterstand vanaf mei 2025 en heeft gedeeltelijke betalingen gedaan in augustus 2025.

[eiser] vordert betaling van de achterstand, contractuele boetes en incassokosten, waarbij hij stelt dat de betalingen eerst op rente en kosten moeten worden verrekend. [gedaagde] betwist de boetes en incassokosten vanwege tijdelijke financiële problemen en het ontbreken van afspraken hierover.

De rechtbank oordeelt dat [eiser] een spoedeisend belang heeft en dat de vorderingen in de bodemprocedure kans van slagen hebben. De boetes en incassokosten over juni en augustus worden toegewezen, maar niet over mei en juli vanwege geringe achterstand. De reeds gedane betalingen strekken in mindering op de totale schuld, waarbij geen aanwijzing is dat deze specifiek op kosten zijn bedoeld.

Uiteindelijk wordt [gedaagde] veroordeeld tot betaling van € 1.152,92 plus wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 1.152,92 plus rente en proceskosten wegens huurachterstand, contractuele boete en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11833769 \ VV EXPL 25-115
Vonnis in kort geding van 8 september 2025
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. Th.C. Visser,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 augustus 2025
- de mondelinge behandeling van 25 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt

2.De feiten

2.1.
Met ingang van 1 december 2024 verhuurt [eiser] aan [gedaagde] de bedrijfsruimte aan het adres [adres] te [plaats 2] (verder: het gehuurde).
2.2.
Op de huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard. Daarin staat:
23.2
Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door Huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt Huurder aan Verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300 per maand. De hiervoor bedoelde boete(rente) is niet verschuldigd indien Huurder voor de in artikel 23.1 genoemde
vervaldatum per aangetekende brief een gemotiveerde vordering bij Verhuurder heeft ingediend en Verhuurder binnen 4 weken na ontvangst van deze brief inhoudelijk daarop niet heeft gereageerd.
Kosten, verzuim
28.1
In alle gevallen waarin (Ver)Huurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan (Ver)Huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (Ver)Huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of Huurder tot ontruiming te dwingen, is (Ver)Huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte - met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechterlijke beslissing door (Ver)Huurder te betalen proceskosten - aan (Ver)Huurder te voldoen.
De gemaakte redelijke kosten worden tussen partijen bij voorbaat vastgesteld op een bedrag dat als volgt wordt berekend; 15% over de hoofdsom met een maximum van € 25.000 per geval exclusief de griffierechten. Bij een procedure worden de kosten van experts (advocaten, deurwaarders ed.) door de in het ongelijk gestelde partij vergoed. Artikel 6: 96 Burgerlijk Wetboek leden 4 en 6, waaronder uitdrukkelijk begrepen de verwijzing naar
het maximaal te vergoeden bedrag aan buitengerechtelijke kosten, is daarmee tussen partijen niet van toepassing.”
2.3.
[gedaagde] heeft vanaf 1 mei 2025 een huurachterstand laten ontstaan. Op 13 augustus 2025 heeft [gedaagde] een betaling gedaan van € 2.149,09. Op 24 augustus 2025 heeft [gedaagde] € 2.130,11 voldaan.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – na wijziging/vermindering van eis – betaling van de ontstane huurachterstand van € 4.279,20, contractuele boete van € 1.500,00 en buitengerechtelijke incassokosten van € 552,92. [eiser] voert aan de betalingen van [gedaagde] op 13 augustus en 24 augustus 2025 eerst in mindering moeten strekken op de rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] erkent de betalingsachterstand maar betwist de gevorderde contractuele boete en incassokosten. [gedaagde] verkeerde wegens gezondheidsproblemen tijdelijk in financiële problemen. [gedaagde] heeft [eiser] op de hoogte gehouden van zijn situatie en besproken dat hij zo spoedig mogelijk weer tot betaling zou overgaan. Omdat toen niet is gesproken over boetes, is het vorderen hiervan onredelijk.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Daarvoor is nodig dat [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, nu het hier gaat om beperking van de schade als gevolg van een huurachterstand.
4.2.
Daarnaast geldt dat in dit kort geding beoordeeld moet worden of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is.
4.3.
[gedaagde] heeft de betalingsachterstand erkend zodat deze zal worden toegewezen. De gevorderde incassokosten en de contractuele boetes over juni en augustus 2025 zullen ook worden toegewezen. Omdat [gedaagde] niet tijdig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, heeft [eiser] op grond van de huurovereenkomst (artikelen 23 en 28 van de algemene voorwaarden) daar recht op, ook al heeft [eiser] in eerdere persoonlijke gesprekken [gedaagde] hier niet op gewezen. Overigens is in de daarna verstuurde schriftelijke aanmaningen hierop wel aanspraak gemaakt. De contractuele boetes over mei en juli 2025 zullen worden afgewezen, omdat de betalingsachterstand over die maanden zeer gering is.
4.4.
De conclusie is dat [gedaagde] aan [eiser] in totaal € 5.432,12 is verschuldigd:
€ 4.279,20 huurachterstand,
€ 600,00 contractuele boete,
€ 552,92 incassokosten.
De door [gedaagde] verrichte en door [eiser] erkende betalingen strekken hierop in mindering. [gedaagde] heeft niet aangevoerd dat hij bij de betalingen heeft aangegeven waar deze specifiek op zien zodat de ontvangen bedragen eerst in mindering strekken op de kosten [1] . [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van € 1.152,92.
4.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
340,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.137,40

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiser] € 1.152,92 te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf datum dagvaarding tot de dag van voldoening,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.137,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2025.

Voetnoten

1.Artikel 6:43 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) in combinatie met artikel 6:44 BW Pro