De zaak betreft een kort geding tussen [eiser] B.V. en [gedaagde] over een huurachterstand van bedrijfsruimte. De huurovereenkomst bevat algemene voorwaarden met een contractuele boete van 1% per maand bij niet tijdige betaling en een regeling voor incassokosten. [gedaagde] erkent de huurachterstand vanaf mei 2025 en heeft gedeeltelijke betalingen gedaan in augustus 2025.
[eiser] vordert betaling van de achterstand, contractuele boetes en incassokosten, waarbij hij stelt dat de betalingen eerst op rente en kosten moeten worden verrekend. [gedaagde] betwist de boetes en incassokosten vanwege tijdelijke financiële problemen en het ontbreken van afspraken hierover.
De rechtbank oordeelt dat [eiser] een spoedeisend belang heeft en dat de vorderingen in de bodemprocedure kans van slagen hebben. De boetes en incassokosten over juni en augustus worden toegewezen, maar niet over mei en juli vanwege geringe achterstand. De reeds gedane betalingen strekken in mindering op de totale schuld, waarbij geen aanwijzing is dat deze specifiek op kosten zijn bedoeld.
Uiteindelijk wordt [gedaagde] veroordeeld tot betaling van € 1.152,92 plus wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.