Eiser, woonachtig aan een adres in Haarlem, kreeg in 1974 een uitritvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Haarlem in 2024 introk vanwege een herinrichtingsbesluit gericht op het aanleggen van een fietsstraat en het verbeteren van verkeersveiligheid en parkeergelegenheid.
Eiser maakte bezwaar tegen deze intrekking, stellende dat de verkeersveiligheid niet zou verbeteren en dat hij voor zijn tegelzetbedrijf afhankelijk is van zijn garage en uitrit. Het college handhaafde het besluit, stellende dat intrekking noodzakelijk is vanwege verkeersveiligheid en parkeerdruk, onderbouwd met een rapport van adviesbureau Witteveen Bos.
De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd waarom juist de uitrit van eiser moest worden ingetrokken terwijl andere uitritten bleven bestaan, en dat het college nagelaten heeft een zwaardere belangenafweging te maken en de specifieke situatie van eiser te onderzoeken.
Daarom is het besluit in strijd met de Algemene wet bestuursrecht en wordt het vernietigd. Het college krijgt zes weken de tijd om een nieuw besluit te nemen, en eiser krijgt het griffierecht vergoed.