ECLI:NL:RBNHO:2025:10191

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 september 2025
Publicatiedatum
3 september 2025
Zaaknummer
9913474 \ CV FORM 22-3203
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 19 Verdrag van Montreal
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering passagiers wegens geannuleerde vluchten op grond van Verordening 261/2004 en Verdrag van Montreal

De passagiers hadden een vervoersovereenkomst gesloten voor vluchten van Kaapstad via Johannesburg en Parijs naar Amsterdam, welke door de vervoerder werden geannuleerd. Na annulering van de oorspronkelijke vluchtcombinatie werden zij omgeboekt op een alternatieve vluchtcombinatie, die eveneens werd geannuleerd. De passagiers vorderden terugbetaling van ticketkosten en vergoeding van stoelreserveringskosten op basis van de Verordening (EG) nr. 261/2004 en het Verdrag van Montreal.

De vervoerder heeft voldoende onderbouwd dat de ticketkosten van de oorspronkelijke vluchtcombinatie reeds aan de passagiers zijn terugbetaald. Kosten voor stoelreserveringen op de alternatieve vluchtcombinatie komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat de vervoerder toen al aan zijn verplichtingen had voldaan. Kosten voor stoelreserveringen op een repatriëringsvlucht werden afgewezen omdat de passagiers onvoldoende aannemelijk maakten dat deze noodzakelijk waren.

De rechtbank oordeelt dat de situatie niet onder de reikwijdte van het Verdrag van Montreal valt omdat de passagiers eerder dan gepland aankwamen met een zelf geboekt alternatief. De proceskosten worden aan de passagiers opgelegd. Het verzoek wordt afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek van de passagiers tot terugbetaling en schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9913474 \ CV FORM 22-3203
Uitspraakdatum: 3 september 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1.[verzoeker 1]

2. [verzoeker 2]
beiden wonende te [plaats]
verzoekende partijen
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R.D.E. Beer (EUclaim B.V.)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Air France
gevestigd te Roissy, Frankrijk
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.)
De zaak in het kortDe passagiers hebben terugbetaling en schadevergoeding van de vervoerder verzocht vanwege een aantal geannuleerde vluchten, op basis van de Verordening (EG) nr. 261/2004 dan wel het Verdrag van Montreal. Een gedeelte van de verzochte kosten betreft de terugbetaling van de ticketkosten van de geannuleerde vluchten. De vervoerder heeft voldoende onderbouwd dat hij deze kosten al aan de passagiers heeft terugbetaald. De kosten voor de stoelreservering op een alternatieve vluchtcombinatie komen niet voor vergoeding in aanmerking op basis van de Verordening omdat de vervoerder op dat moment al aan zijn verplichtingen uit de Verordening tegenover de passagiers had voldaan. Het verzoek tot vergoeding van kosten voor de stoelreservering op een repatriëringsvlucht wordt eveneens afgewezen omdat de passagiers onvoldoende hebben onderbouwd dat het voor hen noodzakelijk was om deze kosten te maken. Ten slotte valt de situatie van de passagiers niet onder de reikwijdte van het Verdrag van Montreal. Daarom wordt het verzoek van de passagiers afgewezen.

1.Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:
  • het vorderingsformulier (formulier A);
  • het antwoordformulier (formulier C) en het verweerschrift.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 1, 2 en 3 juni 2020 vervoeren van Kaapstad, Zuid-Afrika, via Johannesburg, Zuid-Afrika, en via Parijs, Frankrijk, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vluchtcombinatie AF6649, AF995 en AF1240 (hierna gezamenlijk: de oorspronkelijke vluchtcombinatie).
2.2.
De vervoerder heeft de oorspronkelijke vluchtcombinatie geannuleerd.
2.3.
De vervoerder heeft de passagiers omgeboekt op een vluchtcombinatie van Kaapstad, Zuid-Afrika, via Johannesburg, Zuid-Afrika, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vluchtnummers KL2479 en KL592 (hierna: de alternatieve vluchtcombinatie).
2.4.
De alternatieve vluchtcombinatie is eveneens geannuleerd.
2.5.
De passagiers hebben terugbetaling en schadevergoeding van de vervoerder gevorderd.

3.Het geschil

3.1.
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 973,40, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 april 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 181,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) dan wel het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer (hierna: het Verdrag van Montreal). De passagiers stellen dat zij vanwege de annulering van de oorspronkelijke vluchtcombinatie en de alternatieve vluchtcombinatie een schade hebben geleden van € 973,40. Op de specificatie en de onderbouwing van deze kosten zal worden ingegaan bij de beoordeling van het geschil.
3.3.
De vervoerder betwist het verzoek. Op zijn verweer zal eveneens worden ingegaan bij de beoordeling van het geschil.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
De passagiers stellen dat zij vanwege de annuleringen de volgende kosten hebben gemaakt:
- Kosten van de geannuleerde vluchten: € 873,40;
- Stoelreserveringskosten van de alternatieve vluchtcombinatie: € 50,00;
- Stoelreserveringskosten van een repatriëringsvlucht: € 50,00;
De kantonrechter ziet aanleiding om het geschil per kostenpost te bespreken.
4.3.
Allereerst vorderen de passagiers terugbetaling van de ticketkosten van de oorspronkelijke vluchtcombinatie. [1] Vast staat dat de oorspronkelijke vluchtcombinatie is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan terugbetalen. De passagiers stellen dat de vervoerder deze kosten nog niet aan hen heeft gerestitueerd.
4.4.
De vervoerder betwist dit. Hij voert aan dat het niet mogelijk was om de passagiers te vervoeren, maar dat hij de ticketkosten van de oorspronkelijke vluchtcombinatie al aan de passagiers heeft terugbetaald. Hij verwijst hierbij naar een schermafbeelding uit een intern systeem.
4.5.
Het verweer van de vervoerder slaagt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft hij met de door hem overgelegde stukken en zijn toelichting daarop voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de ticketkosten van de oorspronkelijke vluchtcombinatie al aan de passagiers heeft terugbetaald.
4.6.
Met betrekking tot de overige gevorderde kosten, stelt de kantonrechter het volgende voorop. De Verordening biedt gestandaardiseerde rechten bij annulering, vertraging of instapweigering en biedt in beginsel geen grondslag voor het vorderen van schadevergoeding. Het Hof heeft echter geoordeeld dat een passagier van een geannuleerde vlucht zich, om compensatie te verkrijgen, kan beroepen op de niet-nakoming door de luchtvaartmaatschappij van onder meer haar verplichting om bijstand te bieden. [2] Hieronder valt ook haar plicht om informatie te verstrekken. Deze compensatie is wel beperkt tot hetgeen, gelet op de specifieke omstandigheden van het geval, noodzakelijk, passend en redelijk is om het verzuim van de luchtvaartmaatschappij om bijstand te bieden, goed te maken. [3]
4.7.
Vast staat dat de vervoerder de passagiers na de annulering van de oorspronkelijke vluchtcombinatie heeft omgeboekt naar de alternatieve vluchtcombinatie. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt daaruit dat de vervoerder op dat moment had voldaan aan zijn verplichting om de passagiers bijstand te bieden. Daarom komen de kosten van de stoelreserveringen voor de alternatieve vluchtcombinatie niet voor vergoeding in aanmerking op grond van de Verordening, nog daargelaten of het voor hen noodzakelijk was om deze kosten te maken.
4.8.
Ten slotte stellen de passagiers dat de vervoerder hen na de annulering van de alternatieve vluchtcombinatie geen nieuw alternatief heeft aangeboden. Daarom hebben zij via de ambassade kaarten voor een repatriëringsvlucht geregeld. Daarbij hebben zij eveneens kosten voor stoelreserveringen gemaakt. De vervoerder voert aan dat het vanwege de coronapandemie niet mogelijk was om de passagiers om te boeken naar een alternatieve vlucht. Hij betwist echter dat het voor hen noodzakelijk was om specifieke stoelen te reserveren op de repatriëringsvlucht.
4.9.
Vast staat dat de vervoerder de passagiers na de annulering van de alternatieve vlucht niet heeft omgeboekt naar een alternatieve vlucht. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder daarmee niet voldaan aan zijn verplichting tot bijstand, die immers mede de verplichting omvat om de passagiers de mogelijkheid te bieden voor een alternatieve vlucht. Resteert de vraag of de kosten voor de stoelreserveringen op de repatriëringsvlucht passend, redelijk en noodzakelijk waren om dit verzuim om bijstand te bieden, goed te maken. Gelet op de betwisting van de vervoerder, hebben de passagiers naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd dat voor hen noodzakelijk was om specifieke stoelen te reserveren op de repatriëringsvlucht. In de bijlage bij het vorderingsformulier geven de passagiers zelf ook aan dat achteraf is gebleken dat er geen kosten voor verschuldigd waren voor deze stoelreserveringen. Daarom kan niet worden geoordeeld dat deze kosten noodzakelijk waren. Dit gedeelte van het verzoek zal eveneens worden afgewezen.
4.10.
Subsidiair baseren de passagiers hun verzoek op het Verdrag van Montreal. Het Verdrag van Montreal bepaalt dat de vervoerder aansprakelijk is voor schade voortvloeiende uit vertraging in het luchtvervoer van passagiers, bagage of goederen. [4] In dit geval zijn de oorspronkelijke en de alternatieve vluchtcombinatie geannuleerd en zijn de passagiers met een door henzelf geboekt alternatief een aantal weken eerder dan gepland aangekomen. Naar het oordeel van de kantonrechter geldt deze situatie dan ook niet als een ‘vertraging in het luchtvervoer’, zoals bedoeld in het Verdrag van Montreal. Dit betekent dat het verzoek van de passagiers ook op de subsidiaire grondslag niet kan slagen. Het verzoek van de passagiers zal worden afgewezen.
4.11.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers omdat zij ongelijk krijgen. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening plaatsvindt, met de kosten van de betekening van deze beschikking.

5.De beslissingDe kantonrechter:

5.1.
wijst het verzochte af;
5.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 135,00 aan salaris gemachtigde
en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 67,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening plaatsvindt, met de kosten van de betekening van deze beschikking;
5.3.
verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kleij, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Voetnoten

1.Artikel 8 van Pro de Verordening.
2.Zoals bedoeld in artikel 8 van Pro de Verordening.
3.HvJEU 8 juni 2023, C-49/22, ECLI:EU:C:2023:454.
4.Artikel 19 van Pro het Verdrag van Montreal.