ECLI:NL:RBNHO:2024:8646

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 juli 2024
Publicatiedatum
22 augustus 2024
Zaaknummer
C/15/354238/ HA RK 24-91
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 lid 1 WgbzArt. 10 lid 1 WgbzArt. 3 lid 5 WgbzArt. 14 WgbzArt. 6:97 BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van griffierecht bij vordering tot verwijzing naar schadestaatprocedure

De zaak betreft een rekestprocedure over de hoogte van het griffierecht bij een vordering tot verwijzing naar een schadestaatprocedure. De curator in het faillissement van Billy Horeca B.V. vordert betaling van het tekort van de boedel, geraamd op €166.300, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

De griffier had een griffierecht van €6.617 geheven, gebaseerd op het financiële belang van de zaak. Verzoekers, vertegenwoordigd door Billy Holding B.V. en anderen, maakten bezwaar tegen deze hoogte en verzochten om toepassing van het lagere griffierecht voor onvermogenden. Dit verzoek werd door de griffier geweigerd.

De rechtbank oordeelt dat de griffier terecht het hogere griffierecht heeft geheven. De Wet griffierechten burgerlijke zaken bepaalt dat de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van het financiële belang van de zaak, ook als het gaat om een vordering tot schadestaatprocedure. Het geraamde tekort van €166.300 vormt een voldoende basis voor het hogere tarief.

De stelling van Billy Holding dat het hogere griffierecht pas na vonnis op grond van artikel 14 Wgbz Pro zou gelden, wordt verworpen. De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en bevestigt de griffierechtheffing van €6.617.

Uitkomst: Het verzet tegen het geheven griffierecht van €6.617 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: C/15/354238 / HA RK 24-91
Beschikking van 25 juli 2024 (bij vervroeging)
in de zaak van

1.BILLY HOLDING B.V.,

te Amsterdam ,
2.
[Verzoeker sub 2],
te [woonplaats] ,
3.
[Verzoeker sub 3],
te [woonplaats] ,
4.
BOS LAW B.V.,
te Amsterdam ,
verzoekende partijen,
advocaat: mr. P.J. Bos,
hierna samen te noemen: Billy Holding,
tegen
DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK NOORD-HOLLAND,
te Alkmaar,
verwerende partij,
hierna te noemen: de griffier.

1.De procedure

1.1.
Op de griffie van deze rechtbank is op 8 juli 2024 een verzoekschrift binnengekomen op grond van artikel 29 lid 1 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz).
1.2.
Van een mondelinge behandeling is afgezien gelet op het bepaalde in artikel 1.4.2 van het toepasselijke Procesreglement verzoekschriftprocedures.

2.Feiten

2.1.
Bij dagvaarding heeft mr. A. de Groot in zijn hoedanigheid van curator (hierna: de curator) in het faillissement van de besloten vennootschap Billy Horeca B.V. verzoekers sub 1 en 2 gedagvaard. De procedure is aanhangig bij deze rechtbank en ingeschreven onder het zaak-/rolnummer C/15353313/ HA ZA 24/322.
2.2.
Randnummer 9 van de dagvaarding luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
‘Het tekort van de boedel wordt geraamd op afgerond € 166.300,00 (…) maar kan op dit moment nog niet met voldoende zekerheid worden bepaald en gevorderd nu het faillissement nog loopt en mede gezien de vraag of de schuldenlast geheel of gedeeltelijk voor rekening van de vennootschap onder firma en haar vennoten is en dient te blijven. Gevorderd wordt derhalve dit tekort op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
2.3.
De curator vordert – samengevat –:
gedaagden te veroordelen tot betaling van het bedrag van het tekort van de boedel in het faillissement van Billy Horeca B.V. op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
gedaagden te veroordelen in de (na)kosten van het geding, inclusief de kosten van het beslag en het verlof.
2.4.
Op 12 juni 2024 heeft de griffier 12 juni 2024 een griffierecht geheven van
€ 6.617,-.
2.5.
Bij e-mail van 13 juni 2024 heeft de advocaat de griffier verzocht het griffierecht te verlagen tot het griffierecht voor onvermogenden. De griffier heeft dat verzoek per e-mail van 19 juni 2024 geweigerd.

3.De beoordeling

3.1.
De vraag moet worden beantwoord of terecht het griffierecht van € 6.617,- is geheven gebaseerd op het bedrag van € 166.300,- (het tekort van de boedel in de dagvaardingszaak). De rechtbank is van oordeel dat dit griffierecht terecht is geheven.
3.2.
Op grond van artikel 10 lid 1 Wgbz Pro wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding. Aan de hand van artikel 3 lid 5 Wgbz Pro wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van de tabel die als bijlage bij de Wgbz is gevoegd. In die tabel wordt onderscheid gemaakt tussen vorderingen van onbepaalde waarde en vorderingen met een beloop van een bepaald bedrag. Deze regeling is erop gericht het griffierecht, wat de hoogte betreft, te relateren aan de waarde van de vordering en daarmee aan het financiële belang van de zaak.
3.3.
Blijkens genoemde tabel wordt het griffierecht (in 2024) in zaken met betrekking tot een vordering van onbepaalde waarde voor een niet-natuurlijk persoon bepaald op een bedrag van € 688,00. In zaken met betrekking tot een vordering met een beloop van meer dan € 100.000,00 wordt het bedrag van het griffierecht voor een niet-natuurlijk persoon bepaald op € 6.617,00.
3.4.
Billy Holding stelt zich op het standpunt dat de griffier ten onrechte het griffierecht gebaseerd op het tarief voor een vordering met een beloop van meer dan € 100.000,- in rekening heeft gebracht. Van een situatie zoals beschreven in artikel 14 Wgbz Pro is naar mening van Billy Holding nog geen sprake. Artikel 14 Wgbz Pro bepaalt dat als de rechter in het vonnis de schade overeenkomstig artikel 97 van Pro boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna 6:97 BW) heeft begroot alsnog het griffierecht wordt geheven dat partijen zouden moeten betalen als in de dagvaarding was gevorderd tot betaling van een bepaalde geldsom. Dat uit het lichaam van de dagvaarding kan worden afgeleid wat de hoogte van het faillissementstekort is volgens de curator kan volgens Billy Holding geen zelfstandige grond zijn voor de griffier om het hoge griffierecht toe te passen.
3.5.
De rechtbank volgt Billy Holding niet in haar stellingen. Voor het vaststellen van de hoogte van het griffierecht, wordt aangesloten bij het financiële belang van de zaak. Dit gebeurt ook als niet de betaling van een geldsom is gevorderd, maar zoals in dit geval een verwijzing naar een zogenaamde schadestaatprocedure. Zoals blijkt uit 2.2 wordt het tekort aan de boedel door de curator geraamd op € 166.300,00 en daarmee is het financieel belang gegeven. Dit bedrag dient als basis te worden genomen voor de bepaling van de hoogte van het griffierecht. Dit oordeel wordt niet anders door de mogelijkheid die aan de rechter in artikel 14 Wgbz Pro is gegeven om op grond van artikel 6:97 BW Pro alsnog het hogere griffierecht te heffen.
3.6.
Het voorgaande brengt mee dat de griffier voor de vaststelling van het griffierecht terecht is uitgegaan van een vordering van bepaalde waarde met een beloop van meer dan € 100.000,00. Het verzet zal dus ongegrond worden verklaard.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2024.
MKG/MF