Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2024:8549

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 augustus 2024
Publicatiedatum
20 augustus 2024
Zaaknummer
C/15/355091 / JU RK 24-1078
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens noodzaak hulpverlening

De kinderrechter van de rechtbank Noord-Holland heeft op 5 augustus 2024 uitspraak gedaan over het verzoek tot verlenging van een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De Raad voor de Kinderbescherming had verzocht om verlenging van de maatregelen vanwege ernstige bedreigingen voor de ontwikkeling van de minderjarige, waaronder harddrugsverslaving en weigering van hulp.

Tijdens de mondelinge behandeling waren de ouders, de minderjarige, de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig. De ouders en de minderjarige erkenden de noodzaak van de maatregelen. De minderjarige gaf aan gestopt te zijn met drugsgebruik en een positieve verandering te willen. De kinderrechter heeft het eerdere oordeel van 24 juli 2024 gehandhaafd en geoordeeld dat terugkeer naar huis niet mogelijk is zonder intensieve hulpverlening.

De rechtbank besloot de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot 24 oktober 2024, met het doel de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige te waarborgen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 24 oktober 2024 wegens noodzakelijke hulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/355091 / JU RK 24-1078
Datum uitspraak: 5 augustus 2024
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen de Raad,
gevestigd te Haarlem,
over de minderjarige:
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. A.E. Muller te Haarlem,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Haarlem.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de beschikking van 24 juli 2024 en de daarin vermelde stukken mee in zijn beoordeling.
1.2.
Op 24 juli 2024 heeft de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. Tevens heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de periode van 24 juli 2024 tot 21 augustus 2024. Deze beslissingen zijn vastgelegd bij voornoemde beschikking van 24 juli 2024, waarin de behandeling van het verzoek voor het overige is aangehouden en de voortzetting daarvan bepaald op de zitting van 5 augustus 2024, teneinde de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord door de kinderrechter.
1.3.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2024. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. Muller;
  • de vader;
  • de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
  • de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd.
[de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter kort samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is sinds [datum] belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij [verblijfplaats] .

3.Het verzoek

3.1.
De Raad heeft op 24 juli 2024 verzocht [de minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI te stellen stelling voor de duur van drie maanden. Tevens heeft de Raad verzocht een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van drie maanden en die beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad vond een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoeduithuisplaatsing noodzakelijk omdat er sprake is van een (ernstig) vermoeden dan [de minderjarige] acuut en ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Het is vanwege zijn niet meewerkende houding, zijn harddrugsverslaving en het gegeven dat hij hulp weigert, aannemelijk dat hij blootgesteld wordt aan (gevaarlijke) situaties die zijn fysieke, cognitieve en sociale ontwikkeling ernstig bedreigen. Moeder is pedagogische onmachtig. [de minderjarige] kan niet bij vader of een ander in het netwerk terecht, [de minderjarige] is zelfbepalend, heeft geen dagbesteding en gebruikt harddrugs waar de andere kinderen van het gezin aan blootgesteld worden en wat een gevaar kan zijn voor hun gezondheid.
3.3.
De Raad heeft zijn verzoeken tijdens de mondelinge behandeling gehandhaafd. De maatregelen zijn volgens de Raad nog steeds nodig omdat [de minderjarige] bij [verblijfplaats] enigszins op zijn plek lijkt te zitten, maar hij heeft absoluut intensieve hulp nodig. De nodige hulp is ondanks de inspanningen van de moeder in het vrijwillige kader niet van de grond gekomen, omdat [de minderjarige] daaraan niet wilde meewerken en in dat kader geen dwang mogelijk was. De Raad vindt het positief dat [de minderjarige] intussen wel een verandering wil en de meerwaarde van zijn verblijf bij [verblijfplaats] inziet. Het is belangrijk dat [de minderjarige] een perspectief ziet en dat er een plek voor hem is. Indien de verzoeken van de Raad worden toegewezen, zal de Raad verder onderzoek doen.

4.De standpunten van belanghebbenden

4.1.
De ouders hebben zich tijdens de mondelinge behandeling akkoord verklaard met de verzoeken. Zij delen de zorgen van de Raad en zien op dit moment geen andere mogelijkheid. [de minderjarige] kan bij geen van hen beiden verblijven. De advocaat van de moeder heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter.
4.2.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven de zorgen van de Raad te delen en de noodzaak van de verzochte maatregelen te onderschrijven.

5.De mening van de minderjarige

[de minderjarige] heeft aangegeven dat hij sinds twee weken is gestopt met het drugsgebruik. Hij heeft het gevoel dat hij niet gehoord wordt en hij heeft behoefte aan meer positieve aandacht. Hij wil een verandering en hij wil zich richten op de toekomst. Hij ziet inmiddels de meerwaarde van zijn verblijf bij [verblijfplaats] in en wil daar blijven, ook al zou hij liever dichter bij zijn ouders, werk en vrienden willen wonen.

6.De beoordeling

6.1.
In wat tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, heeft de kinderrechter geen aanleiding gevonden om het in voormelde beschikking van 24 juli 2024 geformuleerde oordeel over de voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] te wijzigen. Die beschikking zal dus worden gehandhaafd.
6.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [de minderjarige] niet terug naar huis kan voordat er hulp wordt ingezet en daarmee een verandering wordt gebracht in de huidige situatie, die tot de voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing heeft geleid. Er zijn veel zorgen over [de minderjarige] zijn veiligheid en zijn cognitieve en sociale ontwikkeling. Met behulp van de nodige hulpverlening, waaronder het verblijf bij [verblijfplaats] , moeten deze zorgen worden weggenomen en moet een situatie worden gecreëerd waarin een plek is voor [de minderjarige] en waarin hij zich goed en gezond kan ontwikkelen. Het is noodzakelijk dat ook [de minderjarige] zich hiervoor inzet.
6.3.
Uit het voorgaande volgt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] nog noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding en dat is voldaan aan de wettelijke criteria daarvoor. Het resterende deel van het verzoek van de Raad zal daarom worden toegewezen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 24 oktober 2024.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 21 augustus 2024 tot 24 oktober 2024;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
7.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2024 door mr. M.C.A. Onderwater, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A. Hausenblasová als griffier, en op schrift gesteld op 19 augustus 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.