De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van twee minderjarigen vanwege spanningen tussen de ouders en de kwetsbaarheid van een van de kinderen met autisme spectrum stoornis (ASS). De Raad stelde dat de kinderen bedreigd worden in hun ontwikkeling door de langdurige conflicten en het wantrouwen tussen de ouders, en dat de ouders onvoldoende in staat zijn om dit zelfstandig op te lossen.
Tijdens de zitting werden de standpunten van beide ouders en de minderjarige zelf gehoord. De moeder erkende de bedreiging maar twijfelde aan de effectiviteit van een ondertoezichtstelling. De vader stond open voor hulp, met name gericht op het omgaan met ASS, en stelde een neuropsychologisch onderzoek voor.
De kinderrechter oordeelde dat niet is voldaan aan het wettelijke criterium voor ondertoezichtstelling omdat uit de rapportages en de zitting bleek dat het redelijkerwijs verwacht mag worden dat de spanningen en onrust grotendeels zullen verminderen door de lopende procedure over hoofdverblijf en zorgregeling. Er is voldoende zicht op de kinderen via het netwerk, scholen en huisarts, en er is geen sprake van een zodanige ernstige bedreiging dat een gedwongen maatregel noodzakelijk is.
De kinderrechter benadrukte dat de ouders zich moeten richten op hun eigen opvoedsituatie en dat psycho-educatie over autisme mogelijk nuttig kan zijn. Het verzoek tot ondertoezichtstelling werd daarom afgewezen. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.