ECLI:NL:RBNHO:2024:7010

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 juli 2024
Publicatiedatum
10 juli 2024
Zaaknummer
15.004283.22 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRMArt. 6:6:25 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van oplichting

De rechtbank Noord-Holland behandelde op 12 juli 2024 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €341.416,50 van veroordeelde. De vordering is gebaseerd op artikel 36e lid 3 Sr en betreft voordeel behaald uit een oplichtingsfeit, anders dan het bewezenverklaarde witwassen.

Uit het bewijs blijkt dat een Amerikaans bedrijf een bedrag van €341.416,50 heeft overgemaakt naar een bankrekening die op naam stond van een bedrijf waar veroordeelde de beschikking over had. Veroordeelde heeft het bedrag vrijwel geheel weggeboekt naar andere rekeningen en deels gepind. De verdediging stelde dat het voordeel slechts bestond uit bedragen die aan veroordeelde konden worden toegerekend, maar de rechtbank verwierp dit en achtte aannemelijk dat veroordeelde het gehele bedrag heeft genoten.

De rechtbank legde de betalingsverplichting van €341.416,50 op aan veroordeelde en oordeelde dat er geen aanwijzingen zijn dat hij onvoldoende draagkracht heeft om te betalen. De overschrijding van de redelijke termijn is erkend, maar gecompenseerd door matiging van de straf in de onderliggende zaak. De gijzelingstermijn is vastgesteld op maximaal 1080 dagen.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €341.416,50 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.004283.22 (ontneming) (P)
Uitspraakdatum : 12 juli 2024
vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 9 april 2024 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen:
[veroordeelde ],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
geen woon- of verblijfsplaats bekend,
hierna te noemen: [naam veroordeelde ] .

1.De vordering

De officier van justitie heeft bij vordering van 9 april 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, lid 5 Sr zal vaststellen op
€ 341.416,50en dat aan [veroordeelde ] de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie baseert de vordering op een ander strafbaar feit, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat dit is begaan en aannemelijk is dat dit feit op enigerlei wijze ertoe heeft geleid dat [veroordeelde ] wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.

2.Het verloop van de procedure

De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van [veroordeelde ] om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 14 juni 2024. [veroordeelde ] is niet verschenen.
Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 14 juni 2024. Daarbij zijn gehoord de raadsman van [veroordeelde ] , mr. R.H. Bouwman, advocaat te Amsterdam en de officier van justitie.
Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 12 juli 2024.

3.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de schriftelijke vordering gehandhaafd en gevorderd dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt op € 341.416,50. Zij baseert haar vordering niet op het voordeel dat is verkregen door het in de strafzaak ten laste gelegde witwassen, maar op voordeel dat is behaald door een ander strafbaar feit, namelijk oplichting. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat € 5.000,- in mindering op de betalingsverplichting moet worden gebracht. De officier van justitie heeft gelet hierop gevorderd dat de rechtbank aan [veroordeelde ] een betalingsverplichting oplegt voor een bedrag van € 336.416,50.

4.Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de hoogte van het geschatte bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel te matigen. Op het verweer zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.
5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
5.1
Grondslag van de vordering
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar de vordering verwijst, alsmede de ter zitting door de officier van justitie gegeven toelichting, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat het een vordering betreft die is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr. Dit betekent dat de vordering betrekking heeft op het geval van veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en waarbij aannemelijk is dat dit feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft gekregen.
Bij vonnis van deze rechtbank van 12 juli 2024 is [veroordeelde ] veroordeeld voor witwassen. Dit is een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie.
5.2
De beoordeling van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat [veroordeelde ] door een ander strafbaar feit dan het bewezenverklaarde witwassen, te weten oplichting, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank ontleent de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de inhoud van de wettige bewijsmiddelen die voor het bewijs in de onderliggende strafzaak zijn gebruikt. Daarnaar wordt verwezen.
Uit die bewijsmiddelen volgt dat het Amerikaanse bedrijf [bedrijf 3] e-mails heeft ontvangen die zijn verstuurd door een persoon die zich voordeed als een werknemer van haar zakenrelatie [bedrijf 2] In deze e-mails is [bedrijf 3] gevraagd een openstaande factuur te betalen op het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] (hierna: de bankrekening). Naar aanleiding hiervan heeft [bedrijf 3] op 19 april 2018 een bedrag van € 341.416,50 naar de bankrekening overgeboekt en dit is op 20 april 2018 daarop ontvangen. De bankrekening stond op naam van [bedrijf 1] Onder verwijzing naar de bewijsmotivering in het strafvonnis, is de rechtbank van oordeel dat [veroordeelde ] de beschikking had over die bankrekening en dat hij het geldbedrag kort na ontvangst vrijwel geheel heeft weggeboekt naar andere bankrekeningen en twee geldbedragen van de bankrekening heeft gepind.
De raadsman heeft naar voren gebracht dat [veroordeelde ] na ontvangst van het geldbedrag van € 341.416,50 het grootste gedeelte daarvan in opdracht van anderen heeft overgeboekt naar buitenlandse tegenrekeningen, waarvan niet is achterhaald welke personen of bedrijven daarachter zitten. Die geldbedragen zijn niet ten goede van [veroordeelde ] gekomen en dus niet aan te merken als door hem verkregen wederrechtelijk voordeel. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het door [veroordeelde ] genoten voordeel enkel bestaat uit de bedragen die zijn overgeboekt ter voldoening van rekeningen op zijn naam of die anderszins aan hem zijn te linken.
De rechtbank verwerpt dit verweer. De stelling dat (ook) anderen voordeel zouden hebben genoten van het door oplichting verkregen geldbedrag, volgt niet uit de bewijsmiddelen zoals overwogen in het vonnis van 12 juli 2024 in de onderliggende strafzaak.
De rechtbank vindt het daarom aannemelijk dat [veroordeelde ] van het gehele bedrag heeft geprofiteerd.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [veroordeelde ] het bedrag van € 341.416,50 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten als bedoeld in artikel 36e, lid 3, Sr. Dit voordeel moet hem worden ontnomen.

6.Vaststelling en betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat [veroordeelde ] nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.
Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door [veroordeelde ] te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel. De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door [veroordeelde ] te betalen bedrag vaststellen op
€ 341.416,50.
Tot slot constateert de rechtbank dat, net als in de strafzaak, de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat de schending van de redelijke termijn voldoende is gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak opgelegde straf. De ontnemingszaak en de strafzaak zijn gelijktijdig behandeld, waardoor de rechtbank in deze zaak zal volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden.

7.Toepasselijke wettelijke bepaling

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissing

De rechtbank:
Legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van
€ 341.416,50(
driehonderdeenenveertigduizend vierhonderdzestien euro en vijftig eurocent)ter ontneming voor door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

9.Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Boots, voorzitter,
mr. H.H.E. Boomgaart en mr. N.M.L. Rogmans, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.J.A. Krips,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 juli 2024.