De rechtbank Noord-Holland behandelde op 5 juni 2024 het verzoek van de gezinsvoogdij (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige die sinds eind maart 2024 vrijwel volledig bij zijn moeder woont. De moeder volgt regelmatige verslavingszorg en opvoedondersteuning en toont motivatie om deze hulp voort te zetten. De minderjarige gaat drie keer per week naar de kinderopvang en verblijft om het weekend in een pleeggezin, wat toezicht waarborgt.
De GI onderbouwde het verzoek met het risico op terugval van de moeder in alcoholgebruik bij overbelasting en spanningen tussen ouders, en het ontbreken van structureel contact tussen vader en kind. De moeder betoogde dat de situatie aanzienlijk verbeterd is, zij nuchter is en de GI de afgelopen maanden nauwelijks toezicht heeft gehouden. De vader gaf aan zich buitengesloten te voelen en staat open voor contact.
De rechtbank constateerde dat de opvoedsituatie in het verleden zorgelijk was, maar dat de moeder inmiddels stabiel is en de minderjarige in een veilige omgeving verkeert. Gezien het ontbreken van actief toezicht door de GI en de positieve ontwikkelingen achtte de rechtbank verlenging van de ondertoezichtstelling niet noodzakelijk. Het verzoek werd daarom afgewezen.