Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2024:6237

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 maart 2024
Publicatiedatum
20 juni 2024
Zaaknummer
15/270257-23
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 UitleveringswetArt. 5 UitleveringswetArt. 18 UitleveringswetArt. 26 UitleveringswetArt. 28 Uitleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelaatbaarheid van verzoek tot uitlevering aan Zwitserland voor diefstal met geweld, afpersing en fraude

De rechtbank Noord-Holland behandelde op 28 maart 2024 het verzoek tot uitlevering van een persoon aan Zwitserland, gericht op strafvervolging voor diefstal met geweldpleging, afpersing en fraude. Het verzoek was onderbouwd met een authentiek arrestatiebevel en de relevante stukken die voldeden aan de vereisten van de Uitleveringswet en het Europees Verdrag betreffende uitlevering.

Tijdens de zitting werd de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld en werden de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw gehoord. De officier van justitie concludeerde dat het verzoek toelaatbaar was, terwijl de raadsvrouw geen inhoudelijk verweer voerde tegen de toelaatbaarheid.

De rechtbank beoordeelde dat aan de voorwaarden van dubbele strafbaarheid was voldaan, aangezien de feiten strafbaar zijn in zowel Zwitserland als Nederland en daar een vrijheidsstraf van ten minste één jaar op staat. Er waren geen beletselen voor toelaatbaarheid vastgesteld.

De rechtbank verklaarde het verzoek tot uitlevering toelaatbaar en beval de gevangenhouding van de opgeëiste persoon om ontduiking van uitlevering te voorkomen. Deze gevangenhouding werd geschorst tot de tenuitvoerlegging van andere opgelegde gevangenisstraffen is geëindigd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open, maar cassatie is mogelijk binnen veertien dagen.

Uitkomst: Verzoek tot uitlevering aan Zwitserland wordt toelaatbaar verklaard en gevangenhouding bevolen ter voorkoming van ontduiking.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie Haarlem
Meervoudige strafkamer
Uitlevering
Parketnummer: 15/270257-23
Zittingsdatum: 28 maart 2024
Uitspraakdatum: 28 maart 2024
Uitspraakvan de rechtbank Noord-Holland op de vordering van de officier van justitie, strekkende tot het in behandeling nemen van het verzoek tot uitlevering van
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans in uitleveringsdetentie verblijvende in het Justitieel Complex te Zaanstad,
aan Zwitserland.

1.De relevante schriftelijke stukken

1.1.
Het verzoek tot uitlevering
In het dossier bevindt zich het verzoek tot uitlevering van de hierboven aangeduide opgeëiste persoon, afkomstig van de Zwitserse autoriteiten van 8 maart 2024, met kenmerk
B-18-4339-4 en gericht aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie in Den Haag.
Uitlevering wordt gevraagd ter fine van strafvervolging voor de strafbare feiten opgenomen in het arrestatiebevel van 21 januari 2022, te weten diefstal met geweldpleging, afpersing en fraude.
Door de verzoekende staat zijn de volgende stukken overgelegd:
- een authentiek arrestatiebevel van 21 januari 2022, met een vertaling in de Nederlandse taal, afgegeven door lic. iur. R. Stocker, officier van justitie, Kanton Luzern in Zwitserland, waarin een uiteenzetting van de feiten is opgenomen;
- een overzicht van de toepasselijke rechtsvoorschriften;
- middelen ter vaststelling van de identiteit van de opgeëiste persoon.
1.2.
De overige stukken van het dossier
Voorts maken de navolgende stukken deel uit van het dossier:
- een proces-verbaal van aanhouding van de opgeëiste persoon van 12 oktober 2023;
- een bevel tot inverzekeringstelling van de opgeëiste persoon van 12 oktober 2023;
- de vordering van de officier van justitie zoals bedoeld in art. 23, eerste lid, van de Uitleveringswet, van 17 oktober 2023;
- een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 maart 2024 van de opgeëiste persoon;
- de door de officier van justitie ter zitting van 28 maart 2024 overgelegde schriftelijke samenvatting als bedoeld in art. 26, tweede lid, van de Uitleveringswet.
- een bericht van het Ministerie van Europa en Buitenlandse Zaken van de Franse Republiek, Directoraat van de Fransen in het buitenland en het consulair bestuur aan de Ambassade de la Confédération Suisse en France van 6 januari 2020 waaruit volgt dat het onderhavige verzoek om uitlevering ter fine van strafvervolging door het bevoegde gerechtshof in Frankrijk niet in behandeling is genomen.

2.Het onderzoek ter zitting

2.1.
De behandeling
Het onderzoek ter zitting is in het openbaar gehouden op 28 maart 2024. Aldaar is mededeling gedaan van het uitleveringsverzoek alsmede van de inhoud van de hiervoor onder 1. genoemde stukken. De opgeëiste persoon, zijn raadsvrouw, mr. E.K.B. Bijl, advocaat te Amsterdam en de officier van justitie, mr. M.C. Beun, zijn gehoord.
2.2.
De identiteit van de opgeëiste persoon.
Op grond van hetgeen de opgeëiste persoon daarover ter zitting heeft verklaard, heeft de rechtbank vastgesteld dat hij [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedatum] te
’[geboorteplaats] is, en dat hij degene is van wie de uitlevering wordt verzocht.
2.3.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het verzoek tot uitlevering toelaatbaar dient te worden verklaard.
2.4.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft inhoudelijk geen verweer gevoerd over de toelaatbaarheid van het verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon.

3.De beoordeling van het verzoek tot uitlevering

3.1.
Toepasselijke wetten en verdragen
Op het verzoek is naast de Uitleveringswet, het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: Verdrag) van toepassing.
3.2.
Genoegzaamheid van de stukken
Het verzoek is schriftelijk gedaan en is rechtstreeks toegezonden aan de Minister. Bij het verzoek zijn de in artikel 18 van Pro de Uitleveringswet en artikel 12 van Pro het Verdrag genoemde stukken gevoegd. De stukken zijn dan ook genoegzaam.
3.3.
Dubbele strafbaarheid
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Uitleveringswet kan uitlevering ter fine van strafvervolging worden toegestaan indien, zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar Nederlands recht, een vrijheidsstraf van één jaar of meer kan worden opgelegd.
De feiten zijn blijkens de door de verzoekende staat overgelegde stukken strafbaar naar het recht van de verzoekende staat en daarvoor kan naar het recht van de verzoekende staat een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd.
Ook naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar. De feiten leveren naar Nederlands recht op: diefstal met geweld (strafbaar gesteld in artikel 312 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr)), afpersing (strafbaar gesteld in artikel 317 Sr Pro) en medeplichtigheid aan oplichting (strafbaar gesteld in artikel 326 jo Pro. artikelen 48 en 49 Sr). Daarvoor kan eveneens telkens een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd.
De rechtbank stelt dan ook vast dat sprake is van dubbele strafbaarheid. Dit betekent dat is voldaan aan de in artikel 2 van Pro het Verdrag en artikel 5 van Pro de Uitleveringswet gestelde vereisten voor toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering.
3.4.
Conclusie
Gelet op vorenstaande overwegingen en het feit dat ook overigens niet is gebleken van een beletsel voor de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering, zal de rechtbank de uitlevering aan de Zwitserse autoriteiten van de opgeëiste persoon toelaatbaar achten.
De rechtbank heeft ter zitting de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen, opdat hij zich niet aan de uitlevering zal onttrekken en deze met ingang van dinsdag 2 april 2024 geschorst tot aan het moment dat de tenuitvoerlegging van de (door de Belgische en Nederlandse autoriteiten) opgelegde gevangenisstraffen, geregistreerd onder parketnummer 09/038845-23 en 21/002729-17 eindigt. Deze beslissingen zijn bij apart bevel geminuteerd en zullen aan deze uitspraak worden gehecht.

4.De toepasselijke verdrags- en wetsartikelen

Op de beslissing zijn de volgende verdrags- en wetsartikelen van toepassing:
- 2, 5, 18, 26 en 28 van de Uitleveringswet;
- 1, 2 en 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering;
- 48, 49, 312, 317 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

5.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart
toelaatbaarde uitlevering aan Zwitserland van
[opgeëiste persoon]ter fine van strafvervolging voor de feiten opgenomen in het arrestatiebevel van 21 januari 2022.

6.Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Visser, voorzitter,
mr. G.D. Kleijne en mr. A. Lub, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D. Koppe,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 maart 2024.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open, maar er kan wel binnen veertien dagen cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad (artikel 31 van Pro de UW).