ECLI:NL:RBNHO:2024:5895

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 juni 2024
Publicatiedatum
12 juni 2024
Zaaknummer
10842380 CV EXPL 23-4129
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWArt. 6:96 lid 6 BWBesluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis over vernietiging oneerlijk buitengerechtelijke incasso- en administratiekostenbeding in huurovereenkomst

In deze bodemzaak tussen Stichting Wooncompagnie en de gedaagde partij heeft de kantonrechter het tussenvonnis van 15 februari 2024 gevolgd waarin werd geoordeeld dat een beding in de huurovereenkomst over buitengerechtelijke incasso- en administratiekosten oneerlijk is. De eisende partij had zich in een akte uitgelaten over dit oordeel, maar dit leidde niet tot een ander oordeel.

De kantonrechter bevestigt dat het beding in artikel 2.4 van de huurovereenkomst, gesloten op 5 november 2012, moet worden getoetst aan de wet- en regelgeving die toen gold, waaronder het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten en artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Dit beding wordt vernietigd voor zover het betrekking heeft op buitengerechtelijke incasso- en administratiekosten.

De gevorderde buitengerechtelijke incasso- en administratiekosten worden afgewezen. De huurachterstand tot en met december 2023 van € 2.177,82 wordt toegewezen. De gevorderde vervallen rente wordt afgewezen vanwege onduidelijkheid over de berekening, maar de wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum van dagvaarding. De gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten, met uitzondering van de kosten voor het nemen van de akte die voor rekening van de eisende partij blijven.

Uitkomst: Het beding over buitengerechtelijke incasso- en administratiekosten wordt vernietigd en afgewezen, huurachterstand en wettelijke rente worden toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 10842380 \ CV EXPL 23-4129
Uitspraakdatum: 6 juni 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Stichting Wooncompagnie, h.o.d.n. Bouwcompagnie, Wooncompagnie en Blokcompagnie
te Hoorn NH
de eisende partij
gemachtigde: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De verdere procedure

1.1.
Bij tussenvonnis van 15 februari 2024 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel over de oneerlijkheid van een beding in de huurovereenkomst. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft de eisende partij op 14 maart 2024 een akte ingediend.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De eisende partij voert in haar akte aan dat zij zich voor wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten (en rente) beroept op de wettelijke regeling. Zoals ook in het tussenvonnis is overwogen (r.o. 3.3.) is dat echter niet relevant. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Dat de afwijzing van de buitengerechtelijke incassokosten voor de eisende partij leidt tot een onredelijke schadepost en wijziging van de algemene voorwaarden een enorme operatie is, zoals de eisende partij verder nog aanvoert in haar akte, is ook niet relevant voor de beoordeling of sprake is van een oneerlijk beding (zie r.o. 3.2. van het tussenvonnis).
2.2.
De eisende partij voert in haar akte terecht aan dat de kantonrechter artikel 2.4 van de huurovereenkomst had moeten toetsen aan de hand van de wet- en regelgeving die gold op het moment waarop de overeenkomst is gesloten (op 5 november 2012). Dat is echter ook gebeurd. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en artikel 6:96 lid 6 BW Pro zijn immers op 1 juli 2012 in werking getreden, zodat artikel 2.4 van deze huurovereenkomst terecht aan die regels is getoetst. Ook aan dit standpunt van de eisende partij gaat de kantonrechter daarom voorbij.
2.3.
De kantonrechter blijft daarom bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Gelet op het voorgaande vernietigt de kantonrechter artikel 2.4 van de huurovereenkomst voor zover dit betrekking heeft op buitengerechtelijke incasso- en administratiekosten. Als gevolg daarvan worden de gevorderde buitengerechtelijke incasso- administratiekosten afgewezen.
2.4.
De gevorderde huurachterstand tot en met december 2023 bedraagt € 2.177,82 (€ 7.778,76 - € 5.600,94 aan deelbetalingen). Dit bedrag is toewijsbaar.
2.5.
De gevorderde vervallen rente zal worden afgewezen omdat niet duidelijk is over welk bedrag die rente is berekend. Nu de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, hadden de deelbetalingen die de gedaagde partij heeft gedaan op grond van artikel 6:44 BW Pro immers eerst in mindering moeten worden gebracht op de rente en vervolgens op de hoofdsom. Bij gebrek aan een overzicht van de vervallen rente kan niet worden vastgesteld in hoeverre de vervallen wettelijke rente mogelijk reeds is voldaan met de deelbetalingen en over welk deel van de hoofdsom vervolgens nog wettelijke rente verschuldigd was. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om de wettelijke rente toe te wijzen vanaf de datum van de dagvaarding.
2.6.
De gedaagde partij wordt overwegend in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor het nemen van de akte blijven voor de eisende partij omdat het aan haar te wijten was dat het nodig was om deze te nemen.

3.De verdere beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 2.177,82 aan achterstallige huurpenningen tot en met december 2023, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 december 2023 tot de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de eisende partij begroot op:
€ 129,85 wegens dagvaardingskosten,
€ 365,00 wegens griffierecht en
€ 204,00 wegens salaris gemachtigde;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter