Uitspraak
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
verwerende partijen,
Rechtbank Noord-Holland
De coöperatieve Rabobank U.A. verzocht de rechtbank om toestemming voor onderhandse verkoop van een woonboerderij met schuren, erf en tuin, gelegen aan een adres in een woonplaats, om verhaal te kunnen halen op haar vordering. De bank had de executie van het pand aangekondigd en een online executieveiling gepland, maar vroeg nu toestemming voor onderhandse verkoop. Tijdens de mondelinge behandeling verschenen partijen en belanghebbenden.
De bank stelde dat er sprake was van betalingsachterstand en dat eerdere executie was uitgesteld vanwege corona. ING Bank drong aan op executie en beide banken zouden volledig worden vergoed met het bod dat ter goedkeuring lag. De gedaagden verzetten zich tegen het verzoek en verwezen naar een lopende procedure in hoger beroep tegen ING Bank. Tevens werd gesteld dat een derde bieder een hoger bod wilde uitbrengen en dat het belang van de gedaagden, met jonge kinderen, groot was om dit bod te accepteren.
De voorzieningenrechter stelde vast dat tijdens de zitting de derde bieder een bod van €650.000,- wilde uitbrengen onder dezelfde condities als het overeengekomen bod met de huidige koper. Beide bieders kregen de gelegenheid een schriftelijk bod te doen, maar overleg tussen hen werd niet toegestaan. Na overleg in de zittingszaal leverden zij briefjes in waaruit bleek dat de derde bieder geen nieuw bod wenste te doen. De rechter concludeerde dat er geen gunstiger bod was dan het reeds overeengekomen bod en wees het verzoek van de bank toe.
De beschikking bepaalt dat de onderhandse verkoop zal plaatsvinden conform de goedgekeurde koopovereenkomst, dat de gedaagden het pand binnen twee weken na betekening moeten ontruimen en dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is.
Uitkomst: Het verzoek tot toestemming voor onderhandse verkoop wordt toegewezen omdat geen gunstiger bod is gedaan.