Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[naam 1] ,
Rechtbank Noord-Holland
Verzoekers dienden een verzoek tot wraking in tegen de kantonrechter in een lopende kantonzakenprocedure. Zij stelden vier wrakingsgronden aan de orde, waaronder schijn van partijdigheid in de feitelijke beoordeling, waardering van partijbelangen, wijze van bevraging en ontoelaatbare diskwalificatie van hun gemachtigde.
De rechter had tijdens de mondelinge behandeling een voorlopig oordeel gegeven, maar dit oordeel was gebaseerd op hoor en wederhoor en werd niet zonder voorbehoud gegeven. De wrakingskamer oordeelde dat het geven van een voorlopig oordeel na het horen van partijen niet wijst op vooringenomenheid.
Verder bleek uit het proces-verbaal en de zitting dat de rechter niet bewust niet doorvroeg bij de wederpartij, en dat het niet verplicht is om door te vragen bij mogelijke onjuistheden. Ook de vermeende diskwalificatie van de gemachtigde kon niet worden toegeschreven aan de rechter, aangezien de woorden door de wederpartij waren geuit.
De wrakingskamer concludeerde dat geen van de aangevoerde gronden voldoende was om de rechter te wraken. Het verzoek tot wraking werd daarom ongegrond verklaard en de hoofdzaak kon worden voortgezet in de stand van 6 december 2023.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de kantonrechter is afgewezen wegens het ontbreken van vooringenomenheid of schijn van partijdigheid.