Partijen zijn gescheiden en hebben afspraken gemaakt over partner- en kinderbijdragen in een convenant uit 2014. De man verzocht de partnerbijdrage te verlagen of nihil te stellen vanwege gewijzigde omstandigheden, waaronder het inkomen van de vrouw en haar vermogen. De vrouw verzocht om een hogere partnerbijdrage en inzage in het vermogen van de man.
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van grove miskenning van wettelijke maatstaven bij de oorspronkelijke behoeftebepaling. Wel was er sprake van gewijzigde omstandigheden die een herbeoordeling rechtvaardigen. De behoefte van de vrouw werd vastgesteld op €7.240 bruto per maand, verminderd met haar inkomen van €2.330, resulterend in een aanvullende behoefte van €4.910 bruto per maand.
De vrouw benut haar verdiencapaciteit volledig en mag niet worden verplicht op haar vermogen te interen. De nieuwe partner van de vrouw werkt niet behoefteverlagend. De draagkracht van de man werd vastgesteld op €5.921 bruto per maand, waaruit volgt dat hij de partnerbijdrage van €4.909 bruto per maand kan betalen.
De rechtbank stelde de partnerbijdrage vast op €4.909 bruto per maand met ingang van 18 september 2023, wees het verzoek van de man tot nihilstelling af en verklaarde de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot terugstorting van €10.000 plus rendement van de spaarrekening van de minderjarige. Verzoek tot proceskostenveroordeling werd afgewezen.