ECLI:NL:RBNHO:2024:3432

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 maart 2024
Publicatiedatum
8 april 2024
Zaaknummer
10737565 \ CV EXPL 23-4386
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:60 BWArt. 6:193b BWArt. 7:77 BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid kredietovereenkomst wegens niet-naleving precontractuele informatieplicht en nietig opeisingsbeding

De zaak betreft een vordering van Webfin Financieringen B.V. tegen een consument die niet is verschenen. De eisende partij stelde dat zij de precontractuele informatie zoals voorgeschreven in artikel 7:60 lid 1 BW Pro tijdig had verstrekt via een link in de overeenkomst, maar de kantonrechter oordeelde dat dit niet voldeed aan de vereisten. De informatie was niet op een duidelijke en begrijpelijke wijze verstrekt en de consument kon de overeenkomst aangaan zonder de informatie daadwerkelijk te raadplegen.

Daarnaast is het opeisingsbeding in de algemene voorwaarden beoordeeld. Dit beding voldeed niet aan artikel 7:77 lid 1 BW Pro omdat het niet duidelijk maakte dat de betalingsachterstand ten minste twee maanden en één vervallen termijn moest betreffen. Hierdoor is het beding nietig verklaard.

De kantonrechter concludeerde dat de kredietovereenkomst vernietigd moet worden vanwege de schending van de precontractuele informatieplicht en het nietige opeisingsbeding. De vordering tot nakoming wordt daarom afgewezen en de eisende partij wordt veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter zag geen aanleiding tot ambtshalve toetsing van andere precontractuele verplichtingen.

Uitkomst: De vordering tot nakoming van de kredietovereenkomst wordt afgewezen wegens niet-naleving van de precontractuele informatieplicht en nietig opeisingsbeding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 10737565 \ CV EXPL 23-4386
Uitspraakdatum: 20 maart 2024
Verstekvonnis in de zaak van:
de besloten vennootschap
Webfin Financieringen B.V., rechtsopvolger van de besloten vennootschap
Webfin Leningen B.V., handelend onder de naam
SprayPay
gevestigd te Breukelen
de eisende partij
gemachtigde: gerechtsdeurwaarder mr. Hendrik Andries Roos
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.Het verdere procesverloop

1.1.
Bij tussenvonnis van 25 oktober 2023 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten, hetgeen zij bij akte van 22 november 2023 heeft gedaan.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Er bestaat geen aanleiding om daarop terug te komen.
Artikel 7:60 BW Pro
2.2.
In het tussenvonnis is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om onder meer toe te lichten op welke wijze is voldaan aan het vereiste van artikel 7:60 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) dat de eisende partij geruime tijd voordat de gedaagde partij was gebonden aan de kredietovereenkomst de in de artikelen 5 en 6 van Richtlijn 2008/48 EG voorgeschreven precontractuele informatie heeft verstrekt.
2.3.
De eisende partij heeft in de akte gesteld dat de gedaagde partij de gelegenheid heeft gehad om alle informatie voor wat betreft de lening te kunnen raadplegen voordat hij de kredietovereenkomst ondertekende. De gedaagde partij heeft daarbij kunnen klikken op een link met de titel “
Wat staat er precies in het contract” en dan kreeg de gedaagde partij te zien i) de offerte/kredietovereenkomst met alle precontractuele informatie (de Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet) en ii) Algemene Voorwaarden Consumptief Krediet Webfin. Wanneer de gedaagde partij klikt op “
Hierbij ga ik akkoord met de lening en de algemene voorwaarden” moet de gedaagde partij nog een incassomachtiging aan de eisende partij verstrekken. Het ondertekenen van de incassomachtiging gaat via een sms-controle. De kredietovereenkomst komt tot stand als de incassomachtiging is ondertekend. De offerte wordt middels een beveiligde sms-code ondertekend door de gedaagde partij. Hierdoor is er geen fysiek ondertekende overeenkomst.
2.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan uit de toelichting van de eisende partij niet de conclusie worden getrokken dat de eisende partij de voorgeschreven precontractuele informatie aan de gedaagde partij heeft verstrekt, geruime tijd vóórdat de gedaagde partij werd gebonden aan de kredietovereenkomst. De informatie moet op een begrijpelijke en duidelijke wijze worden verschaft, zodat de consument de economische gevolgen van de lening voor hem kan inschatten [1] . Uit de toelichting en de overgelegde stukken blijkt echter niet dat de in de offerte opgenomen informatie (als bedoeld in artikel 7:60 lid 1 BW Pro) voor het aangaan van de overeenkomst op een duidelijke wijze aan de gedaagde partij is verstrekt. De eisende partij heeft namelijk gesteld dat de gedaagde partij zelf op de link “
Wat staat er precies in het contract” moet klikken om deze informatie te kunnen zien. Dat voldoet niet. Bovendien is die link zeer klein weergegeven, terwijl de knop die daaronder staat en waarop moet worden geklikt om akkoord te gaan met de lening en de algemene voorwaarden vele malen groter is en waarbij ook de tekst veel groter is. Uit de door de eisende partij overgelegde stukken maakt de kantonrechter verder op dat de overeenkomst ook kan worden aangegaan door direct op die knop te drukken zonder de link met de verwijzing naar de offerte te openen. Als er ondanks het voorgaande al van zou moeten worden uitgegaan dat de informatie als bedoeld in artikel 7:60 lid 1 BW Pro aan de gedaagde partij is verstrekt, kan uit de feitelijke gang van zaken in dit geval ook niet worden opgemaakt dat de gedaagde partij in de gelegenheid is gesteld om rustig de voorwaarden van de overeenkomst te bestuderen. Uit de stukken blijkt namelijk dat de overeenkomst door de gedaagde partij is geaccepteerd op 20 juni 2022 terwijl de offerte dateert van diezelfde datum. Gelet op al deze omstandigheden kan niet de conclusie worden getrokken dat de eisende partij heeft voldaan aan (de doelstelling van) artikel 7:60 BW Pro om de voorgeschreven precontractuele informatie aan de gedaagde partij te verstrekken, geruime tijd vóórdat hij werd gebonden aan de kredietovereenkomst.
2.5.
Gelet op het voorgaande heeft de eisende partij niet voldaan aan (de doelstelling van) artikel 7:60 BW Pro. Deze schending levert op grond van artikel 7:60 lid 3 BW Pro een oneerlijke handelspraktijk op als bedoeld in artikel 6:193b BW. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om de overeenkomst te vernietigen. Alleen al daarom kan de vordering tot nakoming van die overeenkomst niet worden toegewezen. Verder geldt het volgende.
Opeisingsbeding
2.6.
Op grond van het bepaalde in artikel 7:77 lid 1 aanhef Pro en onder c sub 1 BW kan het uitstaande saldo bij een kredietovereenkomst als hier aan de orde enkel rechtsgeldig worden opgeëist indien de consument, die ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen.
2.7.
In het tussenvonnis is overwogen dat het opeisingsbeding zoals genoemd in de Algemene Voorwaarden Consumptief Krediet SprayPay 2020 niet voldoet aan de vereisten van artikel 7:77 lid 1 aanhef Pro en onder c sub 1 BW en daarom (vooralsnog) nietig is. De eisende partij heeft in de akte gesteld dat de gedaagde partij op 20 augustus 2022 de laatste betaling heeft verricht en dat op 8 februari 2023, en daarmee twee maanden na de achterstallige betaling, een ingebrekestelling is verstuurd. De feitelijke gang van zaken is echter niet relevant. Dat aan de gedaagde partij een correcte ingebrekestelling is gestuurd, zegt namelijk niets over (de formulering van) het opeisingsbeding. De kantonrechter blijft daarom bij het oordeel in het tussenvonnis dat het opeisingsbeding niet voldoet aan de vereisten van artikel 7:77 lid 1 BW Pro en daarom nietig is. In het opeisingsbeding is immers niet opgenomen dat de ten minste twee maanden bestaande betalingsachterstand één vervallen termijnbedrag moet betreffen.
2.8.
Uit het voorgaande volgt dat de gevorderde hoofdsom, die is gegrond op het nietige opeisingsbeding, (ook) om die reden niet zou kunnen worden toegewezen.
2.9.
Een andere grondslag voor de vordering is niet gesteld. De vordering zal daarom worden afgewezen. Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter aan ambtshalve toetsing van de overige (pre)contractuele informatieplichten niet meer toe.
2.10.
De eisende partij wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld, die aan de kant van de gedaagde partij op nihil wordt gesteld.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt de eisende partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de gedaagde partij tot en met vandaag vaststelt op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 april 2015, ECLI:EU:C:2015:262, Van Hove.