Op 16 oktober 2020 werd bij een vier maanden oude baby een botbreuk aan het linkerdijbeen vastgesteld, vermoedelijk veroorzaakt door een forse krachtsinwerking. Verdachte was op dat moment alleen verantwoordelijk voor de zorg van het kind. Het NFI-rapport concludeerde dat de letsels waarschijnlijker toegebracht dan accidenteel waren, maar de bewijswaarde van de specifieke Salter-Harris type 2 botbreuk kon niet worden bepaald vanwege het ontbreken van vergelijkende studies.
De officier van justitie vorderde een taakstraf wegens poging tot zwaar lichamelijk letsel, terwijl verdachte ontkende het letsel te hebben toegebracht en wees op de mogelijkheid van een ongeluk. De rechtbank oordeelde dat het NFI-rapport onvoldoende onderbouwing bood voor de conclusie dat het letsel toegebracht was, mede door de onzekerheid over de ouderdom en oorzaak van bijkomende botbreuken.
Gezien deze twijfel en het ontbreken van aanvullend onderzoek kon de rechtbank niet tot wettig en overtuigend bewijs komen dat verdachte het letsel heeft toegebracht. Daarom werd verdachte vrijgesproken van zowel de poging tot zwaar lichamelijk letsel als de subsidiaire mishandeling.