De zaak betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds september 2020 in een jeugdhulpaccommodatie verblijft. Sinds de zomervakantie van 2023 verblijft de minderjarige afwisselend bij de moeder en de jeugdhulpaanbieder. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn eerder verlengd, laatstelijk tot 24 juni 2024.
De GI verzoekt verlenging van de machtiging tot het einde van de ondertoezichtstelling, terwijl de kinderrechter het aangehouden deel van zes maanden verlengt in afwachting van het terug naar huis onderzoek (TNHO). Dit onderzoek is vertraagd maar is nu goed van start gegaan. De moeder werkt positief mee, hoewel haar intensieve behandeling is stopgezet wegens onvoldoende effect. De minderjarige ervaart loyaliteitsconflicten en wisselende emoties.
De kinderrechter acht verlenging noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige conform artikel 1:265c BW. De verwachting is dat binnen zes maanden duidelijkheid ontstaat over het perspectief van terugkeer naar huis. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten.