ECLI:NL:RBNHO:2024:13200

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 november 2024
Publicatiedatum
18 december 2024
Zaaknummer
C/15/357495 / JU RK 24-1466
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De rechtbank Noord-Holland heeft op 7 november 2024 een ondertoezichtstelling van een minderjarige toegewezen voor de duur van één jaar. De minderjarige is meerdere malen in aanraking gekomen met politie en justitie en vertoont problematisch gedrag, mede door een complexe thuissituatie en beperkte opvoedcapaciteiten van de moeder. De vrijwillige hulpverlening blijkt onvoldoende effectief en de samenwerking tussen betrokken instanties is gebrekkig.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag en woont samen met de minderjarige, maar kampt zelf met gezondheidsproblemen waardoor zij onvoldoende toezicht kan houden. De minderjarige heeft schulden en houdt zich niet aan afspraken met jeugdreclassering. De Raad voor de Kinderbescherming heeft daarom een ondertoezichtstelling verzocht om regie te voeren en de situatie te stabiliseren.

De minderjarige en moeder zijn akkoord met het delen van persoonsgegevens met de schuldenfunctionaris om ondersteuning bij schulden te faciliteren. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling stevige regie voert en dat de hulpverlening wordt afgestemd om de toekomstperspectieven van de minderjarige te verbeteren. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De rechtbank wijst de ondertoezichtstelling toe voor de duur van één jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/357495 / JU RK 24-1466
Datum uitspraak: 7 november 2024
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Haarlem,
hierna te noemen de Raad,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 oktober 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door een telefonische tolk [taal tolk] ;
- namens de Raad, [vertegenwoordiger van de raad] ;
  • namens de GI, [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] en
  • als toehoorder [schuldenfunctionaris] , schuldenfunctionaris van de rechtbank.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter in het bijzijn van de schuldenfunctionaris. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij zijn moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
De Raad heeft dit verzoek als volgt onderbouwd. [de minderjarige] is meerdere keren in aanraking gekomen met politie en justitie. Het lukt hem en zijn moeder niet om dit te voorkomen, wat de Raad zorgen baart. [de minderjarige] blijkt gebruik te maken van de onmogelijkheden van zijn moeder. Er is onvoldoende samenwerking tussen de hulpverleningsinstanties waardoor [de minderjarige] in aanraking blijft komen met antisociale jongeren. De combinatie daarvan met een mogelijk beperkte intelligentie van [de minderjarige] , zijn beïnvloedbaarheid en de buurt waar [de minderjarige] woont, maakt dat de Raad zich zorgen maakt over zijn (toekomstige) positie in de maatschappij. Door de persoonlijke problematiek van de moeder lukt het haar niet om [de minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft. Zijn opvoeding valt haar zwaar en ze lijkt onvoldoende te begrijpen wat er rondom haar zoon speelt. De verwachting is dat de moeder sterker gemaakt kan worden met (opvoed)ondersteuning. De complexe problematiek lijkt het vrijwillige kader te overstijgen. De gemeente sluit niet aan bij de problematiek en vindt dat de jeugdreclassering regie moet voeren. De jeugdreclassering geeft aan dat zij deze rol niet op zich kan nemen. [de minderjarige] heeft recentelijk een waarschuwing gekregen van de jeugdreclassering omdat hij zich niet houdt aan zijn dagbestedingsafspraken.

4.De standpunten

4.1.
De moeder heeft ingestemd met toewijzing van het verzoek. De moeder ontvangt in de thuissituatie nog geen hulp, maar zou dat wel graag willen. Zij hoopt dat een ondertoezichtstelling [de minderjarige] zal helpen.
4.2.
De GI heeft verklaard dat in dit geval met name de regierol zal moeten worden opgepakt door de GI, zodat trajecten op elkaar kunnen worden afgestemd en de moeder in haar ouderrol kan worden versterkt. De moeder is akkoord met het delen van haar persoonsgegevens met de schuldenfunctionaris, zodat de gemeente [de minderjarige] kan helpen met zijn schulden.

5.De mening van [de minderjarige]

5.1.
heeft aangegeven dat het goed met hem gaat. Sinds hij een waarschuwing heeft gekregen van zijn jeugdreclasseerder houdt hij zich aan de afspraken en gaat hij alle dagen van de week naar de zorgsportschool. Zijn avondklok mag er bijna af. [de minderjarige] begrijpt dat men zich zorgen over hem maakt. Zelf maakt hij zich zorgen over zijn moeder. Omdat [de minderjarige] al hulp krijgt aangeboden via zijn jeugdreclasseerder en jongerencoach, heeft hij niet echt behoefte aan een jeugdzorgwerker. [de minderjarige] is akkoord met het delen van zijn persoonsgegevens met de schuldenfunctionaris, zodat de gemeente ervoor kan zorgen dat hij van zijn schulden afkomt.

6.De beoordeling

6.1.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreigingen bestaan uit het volgende. [de minderjarige] wordt verdacht van meerdere strafbare feiten en gaat om met jongens die een negatieve invloed op hem hebben. Daarnaast heeft hij schulden gemaakt en gaat hij niet meer naar school. Afspraken die met hem zijn gemaakt in het vrijwillige kader of met zijn jeugdreclasseerder worden door hem niet structureel nagekomen. Bovendien kampt de moeder met eigen problematiek die maakt dat het voor haar lastig is om alles rondom [de minderjarige] te overzien en de zorgen zelfstandig het hoofd te bieden. De moeder heeft een herseninfarct gehad en is daardoor beperkt. Zij heeft onvoldoende zicht op [de minderjarige] en is niet in staat hem voldoende te controleren, begrenzen en stimuleren in zijn doen en laten. De (biologische) vader van [de minderjarige] woont op afstand en ziet hem sporadisch, waardoor ook hij op dit moment onvoldoende grip op [de minderjarige] heeft. Vanwege voorgaande zorgen bestaat het risico dat [de minderjarige] in snel tempo afglijdt en in risicovolle situaties terechtkomt, waardoor zijn toekomst op het spel komt te staan.
6.2.
Tevens blijkt dat de zorg die noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreigingen weg te nemen in vrijwillig kader onvoldoende van de grond komt. De problematiek blijkt te complex voor hulpverlening vanuit vrijwillig kader. Daarbij is de samenwerking tussen de hulpverlening vanuit de gemeente en de jeugdreclassering gebrekkig gebleken. De reeds betrokken partijen hebben onvoldoende grip op de thuissituatie van [de minderjarige] . De zorgen over [de minderjarige] zijn echter groot en bovendien wordt hij over ruim één jaar al meerderjarig. De kinderrechter acht het daarom noodzakelijk dat er snel actie wordt ondernomen door een GI die stevige regie kan voeren in deze situatie.
6.3.
Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Het is belangrijk dat de moeder ondersteuning krijgt in de opvoeding van [de minderjarige] en dat de GI onderzoekt wat de (on)mogelijkheden van de moeder zijn. Daarnaast heeft de kinderrechter van [de minderjarige] begrepen dat er recent een persoonlijkheidsonderzoek bij hem is afgenomen. Het is nodig dat de GI de resultaten van dit onderzoek meeneemt in de beslissing over welke hulp voor [de minderjarige] ingezet moet worden. Verder dient de GI te onderzoeken of, naast de hulp vanuit de jeugdreclassering, hulp ingezet kan worden om met [de minderjarige] aan zijn netwerk, weerbaarheid en toekomstperspectief te werken. Ook is van belang dat wordt bekeken of de vader mogelijk een grotere rol zou kunnen spelen in het laten afnemen van de zorgen over zijn zoon.
6.4.
De situatie rondom [de minderjarige] is complex, zodat de kinderrechter verwacht dat er een langere periode nodig zal zijn om een blijvend stabiele situatie te creëren waarbij [de minderjarige] niet langer in de problemen komt. De kinderrechter zal daarom [de minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
stelt
[de minderjarige]onder toezicht van de gecertificeerde instelling De William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 7 november 2024 tot 7 november 2025;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2024 door mr. C. Maat, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. D.A.C. Sinnige als griffier, en op schrift gesteld op 3 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.