Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[gedaagde 1],
[gedaagde 2],
Rechtbank Noord-Holland
In deze civiele zaak heeft de rechtbank Noord-Holland op 7 februari 2024 een aanvullend vonnis gewezen op een eerder vonnis van 20 september 2023. Eiser verzocht de rechtbank alsnog te beslissen op een deel van zijn vordering tot terugbetaling van €46.250 van de in totaal €50.000 die hij contant aan gedaagden ter beschikking had gesteld voor reizen naar Georgië. De rechtbank had dit deel van de vordering in het eerdere vonnis niet expliciet beoordeeld.
De rechtbank oordeelde dat zij dit deel van de vordering inderdaad over het hoofd had gezien en dat het niet onder de algemene afwijzing van het meer of anders gevorderde viel. De rechtbank stelde vast dat partijen het eens waren over het feit dat een deel van het bedrag terugbetaald moest worden, maar verschilden over de hoogte.
Eiser had met stukken onderbouwd dat in totaal €50.000 was meegenomen op drie reizen naar Georgië eind 2019 en begin 2020. Gedaagde 1 betwistte dit en stelde dat slechts €30.000 was meegenomen en dat het overige geld niet voor de reizen bestemd was. De rechtbank verwierp dit verweer vanwege onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van een administratie van contante uitgaven door gedaagde 1.
Ook het verweer van gedaagde 1 dat de contante bedragen volledig waren besteed aan verblijfskosten en een reisvergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan specificatie en onderbouwing. De rechtbank veroordeelde gedaagde 1 daarom om het bedrag van €46.250, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 16 mei 2022, aan eiser te betalen. Deze beslissing is een aanvulling op het eerdere vonnis en is op 7 februari 2024 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Gedaagde 1 wordt veroordeeld tot betaling van €46.250 plus wettelijke rente vanaf 16 mei 2022 aan eiser.