AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek verlenging ondertoezichtstelling minderjarige ondanks contactbreuk met moeder
De gecertificeerde instelling verzocht de rechtbank om de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen voor zes maanden. De minderjarige woont sinds oktober 2022 bij de vader, die het eenhoofdig gezag heeft. De moeder onderhoudt geen contact met het kind, wat door de GI als zorgelijk wordt gezien, maar het kind heeft het goed bij de vader.
De moeder was niet verschenen bij de zitting, maar haar belangen werden vertegenwoordigd. De vader en GI hadden geen bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek. De moeder betoogde dat zij geen verlenging wenst omdat het contact met haar kind ontbreekt en zij daar veel verdriet van heeft.
De kinderrechter concludeerde dat niet langer voldaan wordt aan de wettelijke criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling volgens artikel 1:255 BWPro. Ook het onderzoek naar het broertje van de minderjarige leverde geen aanleiding tot verlenging. De rechtbank wijst daarom het verzoek af, met de hoop dat moeder en kind in de toekomst weer contact kunnen hebben.
De beschikking is op 21 november 2024 in het openbaar uitgesproken door kinderrechter W.C. Oosterbroek en op 4 december 2024 schriftelijk vastgelegd. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/350685 / JU RK 24-476
Datum uitspraak: 21 november 2024
Beschikking van de kinderrechter over een afwijzing verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. F. Pool te Rotterdam,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. L.J.W. van Kesteren te Zoetermeer.
1.Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter van 23 mei 2024 met de daarin vermelde stukken;
het bericht van de GI met bijlagen van 7 oktober 2024;
het bericht van de advocaat van de vader van 30 oktober 2024;
het bericht van de GI van 31 oktober 2024;
het bericht van de advocaat van de moeder van 5 november 2024.
1.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI bij beschikking van 23 mei 2024 gedeeltelijk toegewezen, in die zin dat de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] tot 24 november 2024 zijn verlengd.
1.3.
De GI en de vader hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan een behandeling van het (resterende) verzoek ter zitting. De vader heeft schriftelijk ingestemd met toewijzing van het verzoek. Op verzoek van de moeder heeft de behandeling van het verzoek toch ter zitting plaatsgevonden.
1.4.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren is voorgezet op 21 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- namens de moeder, waarnemend advocaat mr. M.S. Krol, kantoorhoudende te Rotterdam;
- namens de GI, [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
1.5.
De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2.De feiten
2.1.
De vader is sinds [datum] belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . Er is geen hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing.
2.2.
[de minderjarige] woont sinds oktober 2022 bij de vader.
2.3.
[de minderjarige] is bij beschikking van 24 mei 2022 onder toezicht gesteld door de kinderrechter. Deze ondertoezichtstelling is vervolgens telkens verlengd tot momenteel 24 november 2024.
2.4.
Bij beschikking van 17 oktober 2022 heeft de kinderrechter, na een spoeduithuisplaatsing afgegeven op 10 oktober 2022, een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor [de minderjarige] bij de vader. Deze machtiging is vervolgens telkens verlengd tot momenteel 24 november 2024.
3.Het verzoek
3.1.
De GI blijft bij haar verzoek om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Het verzoek om de machtiging uithuisplaatsing bij de vader te verlengen is niet langer noodzakelijk, omdat de vader inmiddels is belast met het eenhoofdig gezag en de beroepstermijn van deze beslissing is verstreken.
3.2.
De GI heeft dit verzoek als volgt onderbouwd. Een ondertoezichtstelling is nog wenselijk. De moeder heeft geen actie ondernomen om de omgang met [de minderjarige] weer op te starten. De moeder heeft niet gereageerd op pogingen tot contact door de GI. Hierdoor zou gesteld kunnen worden dat er geen grond meer bestaat om de ondertoezichtstelling te verlengen, maar de GI weet niet of de moeder wordt belemmerd om in contact te zijn met de GI of dat dit haar vrije keuze is. De afgelopen jaren heeft de GI de indruk gekregen dat de moeder wel contact wil, maar dat haar keuzes voornamelijk worden bepaald door haar partner. Dit is echter niet aantoonbaar. Voor [de minderjarige] betekent dit dat zij niet van haar beide ouders kan genieten en haar moeder moet missen. Een einde van de ondertoezichtstelling dient niet het belang van [de minderjarige] . Het lijkt erop dat de enige toegang tot [de minderjarige] voor de moeder bestaat uit de GI. Wel moet worden benadrukt dat het nog steeds goed gaat met [de minderjarige] : zij heeft het goed bij de vader en zijn familie. Er vindt daarom geen sturing vanuit de GI plaats in het opvoedklimaat van de vader.
4.De standpunten
4.1.
Namens de moeder is bepleit om het verzoek af te wijzen omdat de gronden voor verlenging ontbreken. Het gemis van haar dochter kost de moeder veel stress en verdriet. Zij probeert het juiste te doen door dit standpunt in te nemen om zo niet aan haar dochter te laten zien hoe groot haar verdriet is. Het gaat goed thuis, de zoon van de moeder woont zonder dwangmaatregel bij haar. Hulpverleners geven aan dat zij open is en meewerkt. De moeder heeft er moeite mee dat zij continu moet ontkennen dat zij niet vrij zou zijn om aan te geven contact met haar dochter te willen.
4.2.
Namens de vader is gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. [de minderjarige] vraagt niet zo vaak meer naar haar moeder. De vader heeft een fotoboek met foto’s waarin de ouders nog samen waren: [de minderjarige] ziet regelmatig foto’s van haar ouders met haarzelf in het midden.
5.De beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
In het algemeen geldt dat ieder kind contact wil hebben en onderhouden met zijn ouders. De kinderrechter kan goed begrijpen dat de moeder verdriet heeft over het ontbreken van contact met [de minderjarige] . Hoewel de kinderrechter zorgen ziet in het ontbreken van dit contact en de manier waarop deze contactbreuk tot stand is gekomen, stelt de kinderrechter vast dat er niet langer gronden aanwezig zijn om de ondertoezichtstelling te verlengen. Het onderzoek dat de Raad voor de Kinderbescherming heeft verricht naar het broertje van [de minderjarige] dat bij de moeder woont, heeft evenmin geleid tot een verzoek tot ondertoezichtstelling en biedt daarmee evenmin aanleiding om tot een verlenging over te kunnen gaan.
5.3.
De kinderrechter zal het verzoek van de GI daarom afwijzen. Desondanks hoopt de kinderrechter dat de moeder en [de minderjarige] ooit weer op een normale manier contact met elkaar kunnen hebben.
6.De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2024 door mr. W.C. Oosterbroek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. D.A.C. Sinnige als griffier, en op schrift gesteld op 4 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.